donderdag 18 september 2008

Duiven en duivels

Duiven en duivels

Op een benauwde donderdagmiddag komen maar 2 van de 6 vrouwen die ik verwacht. Maar als je denkt dat er dan meer of geconcentreerder wordt gewerkt, moet je dat idee meteen bijstellen. De ene heeft haar dochtertje mee, de ander haar zoontje. Reden: het schoolreisje van jongetje kon niet doorgaan omdat vaderlief, die mee zou, zit met een kapotte taxi. En het meisje kan niet naar school: er zijn in een ander stadsdeel net twee islamitische scholen gesloten, waardoor het kind op de wachtlijst terecht is gekomen.
De dames spreken weer eens Arabisch met elkaar in de lestijd. Ik heb dat natuurlijk al vaak uitdrukkelijk verboden, omdat ik niet kan weten of het over de lesstof gaat. En omdat het niet zo leerzaam is, en simpelweg ook niet zo beleefd ten opzichte van mij. Daarom roep ik af en toe maar weer: ‘Nederlands!’ of: ' Waar gaat het over?’ Steevast is: ‘Ja!’ het antwoord.
Het centrum waar de lessen plaatsvinden beschikt gelukkig over lange gangen, dus we vragen de kinderen om ‘buiten’ te gaan spelen. Ze vertrekken met driewieler en poppenwagen. Intussen hebben de dames de naam van hun nieuwe parfums uitgewisseld. Wat alweer meevalt, is dat in elk geval een van hen een woordenboek mee heeft.
Deze groep is van een vorige docent gewend dat er vrijwel alleen uit de methode werd gewerkt. Van mijn taakgerichte opdrachten en leesteksten schrikken ze nog steeds wel eens terug: ' Wat leren wij daar nou van? We hebben nog bijna niet gewerkt!’ "Werken" is voor hen kennelijk synoniem met hun eigen leergang doorploeteren. Ik probeer ze juist bij te brengen dat je Nederlands niet alleen in de les leert, maar van al het authentieke Nederlands dat de hele dag om ons heen is.
Meryem, een strengislamitische vrouw, heb ik laten kiezen uit 3 verschillende teksten. Ze koos een tekst waar “Duiven” boven staat. Als ze halverwege de tekst is, begint er iets te dagen: 'Duiven is niet Satan?’ vraagt ze.
'Nee, duiven zijn die grijze vogels die je zo veel ziet in Amsterdam’, zeg ik.
Op het bord schrijf ik:
1 Duif, 2 duiven.
Duivel = Satan.
De kinderen zijn inmiddels weer binnen gekomen. Met smurfenstemmetjes wordt er gediscussieerd over van alles en nog wat. Hayat, de moeder van het jongetje, merkt op: 'Het gaat goed met de liefde in dit lokaal!'
Zelf leest ze een tekst over een Marokkaanse bruiloft, een artikel uit de Flair met mooie foto's. Toen ik ongeveer 12 teksten verzamelde voor de 6 vrouwen om uit te kiezen, had ik bij deze tekst Hayat in mijn hoofd: romantisch tot op het bot en zeer geïnteresseerd in de jurken, make-up en hennahanden op de foto's.
De volgende keer ga ik proberen een religieus georiënteerde tekst mee te nemen voor Meryem. Misschien iets uit de krant, wat ik zelf kan vereenvoudigen. Of, wie weet, iets over duivels.

woensdag 27 augustus 2008

Jarig

Jarig

Gisteren was ik jarig. Ik weet niet wat ik vorige jaren deed, toen heb ik het waarschijnlijk stil gehouden. Dit jaar kwam het onderwerp “jarig zijn“ vorige week al aan de orde in de lesmethode, en elke cursist moest op een kalender alle verjaarsdata van de groep invullen. Zo kwam ik er natuurlijk niet meer onderuit!
Ik had soesjes en tompoesjes meegenomen en ben voor het eerst van mijn leven in het Arabisch en in het Turks toegezongen.
Voor de liefhebbers, Happy Birthday in fonetisch – Arabisch:

Sana helua yagamil (2 x)
Sana helua, sana helua
Sana helua yagamil

En in het Turks:

Iyiki dogdun Margreet (2x)
Iyiki dogdun, iyiki dogdun
Iyiki dogdun Margreet

Op de g moet je nog een soort liggend half maantje denken. Het klinkt als : iki dodoen.

Nu ben ik 44. Ik vind het een mooi getal. Op naar de 88.

woensdag 13 augustus 2008

lopen, liep, gelopen

Lopen, liep, gelopen

Onderweg naar de eerste les na de vakantie. Ik wil graag een taalronde doen over de vakantie, maar wat neem ik als thema?
Een taalronde is een werkwijze die is ontwikkeld door de Stichting Taalvorming. Het is een manier om iedereen in de groep én aan het woord te laten, én te laten schrijven over iets waar ze echt iets over wíllen vertellen. De kunst is om het onderwerp toe te spitsen op iets kleins, iets specifieks.
Ik kom met mijn fiets voor een stoplicht te staan. Op de straat ligt een héél klein gymschoentje. Zo klein, zelfs een baby zou er niet in passen. Ik raap het op. Er zit een ringetje aan, dat een beetje open gebogen is. Het komt vast van een sleutelbos.
Zo’n sleutelhanger, daar kan ik wel iets mee. Het kan het onderwerp vakantie toespitsen op vragen als: wat voor schoenen draag je als het warm is? Waar staan je schoenen als je ze niet aan hebt? Welke maat heb je? Waar heb je gelopen in je vakantie?
Ik doe een lang kringgesprek, waarin allerlei verhalen loskomen over plaatsen waar de cursisten hadden gelopen. Aan het eind hebben we een paar nieuwe woorden geleerd. Zacht zand, scherpe steentjes, strand, zee, het Atomium, brug, tussen, af, op, naar en nog veel meer voorzetsels. Met die voorzetsels kan ik de volgende les vullen. Deze keer besteed ik aandacht aan de verschillende vormen van het werkwoord “lopen”.

Rabia kent nog bijna geen woorden in het Nederlands. Geholpen door haar buurvrouw, vertelt ze dat ze de zee heeft gezien. En: “water komt omhoog uit de grond”. Zou ze een heuse geiser bedoelen? Zijn die er in Marokko? Ik teken op het bord een spuitende geiser zoals ik die ken uit Nieuw-Zeeland. Ja hoor, dat is wat ze bedoelt. Alleen is de druk er af in Marokko, want het spuit niet meer zoals vroeger, het borrelt alleen nog wat.
Toch heeft de zee kennelijk meer indruk op haar gemaakt, want ze schrijft op:
“Ik loop op het zand. Ik kijk naar de zee.”

Jamila is bejaard. Ze heeft veel moeite met het leren van de taal, maar de lessen zijn voor haar een uitje. Ze komt graag, vindt het gezellig. Ze is ook altijd als eerste in het lokaal. Toen ze vanochtend haar tas op tafel zette na binnenkomst, verzuchtte ze dan ook: “Thuis!”.
Ze heeft niet gelopen in de vakantie, zegt ze. “Liggen, bed. Rug…. pijn! Knieën….. pijn!”
“Maar je hebt in huis toch wel gelopen?”, probeer ik nog. “Van je bed naar de WC en terug?”
Het ontlokt haar een kleine glimlach.
“Nu dood,” zegt ze dan.
Heb ik dat goed verstaan?
“Wil je dood? Ga je dood?” Het verschil ontgaat haar.
“Pijn. Moe. Oud. Klaar. Dood.”
Dat is duidelijke taal. Maar wat moet ik nu zeggen?
“Goed, Jamila, maar leer je eerst nog een beetje Nederlands met ons? Dan neem je dat mee naar de hemel, oké?”
De hele klas knikt haar begrijpend toe. De groep verandert van een verzameling individuen in een eenheid.

Jamila loopt in Nederland. Jarenlang liep ze door Somalië. Ze heeft genoeg gelopen.




Tijdens een taalronde gebeurt er altijd iets onverwachts…………….
Kijk op http://www.taalvorming.nl/

maandag 23 juni 2008

makkelijk

"Er. zucht.
Ligt. steun.
Poep.
Op.
De. lange stilte.
Stoep."

Jamila, een Alfacursiste van tegen de zeventig, is aan het voorlezen. Ze komt de hele tekst door, afgewisseld met geluiden van een moeizame ademhaling en veel denkwerk.
Aan het eind van de tekst gekomen, kijkt ze me stralend aan en zegt:
"Makkelijk!"

Wat zou ze daar nou mee bedoelen?

vrijdag 20 juni 2008

Verlegen

Verlegen

Van onze fouten leren we het meest, in het leren van een taal is dit niet anders. Om een vreemde taal echt vloeiend te leren spreken, daar gaan jaren overheen. In de tussentijd zullen we honderden "fouten" maken en daar moet je tegen kunnen. Onzekerheid is geen hulp bij het leren van een taal.
Ik had eens een intelligente Oost-Europese mevrouw op privé-les. Er mankeerde weinig aan haar gesproken Nederlands, het was beslist acceptabel. Ze kon ook goed schrijven en las de krant zonder problemen. Haar perfectionisme gebood haar echter, lessen te nemen om “de puntjes op de i te zetten”, zoals ze zelf zei. Die “puntjes” bleken voornamelijk te bestaan uit de juiste woordvolgorde in de bijzin, het woordje “er” en de uitspraak van de “h” aan het begin van een woord. Ze vertelde me, dat ze onzeker werd van het feit dat ze de taal niet accentloos kon spreken.
Zo zitten er nu ook twee vrouwen in mijn groep, met als verschil dat die aan het begin van hun traject zijn en niet aan het einde, zoals de Oost-Europese. Hun Nederlandse woordenschat behelst misschien tweehonderd woorden en daar kun je boodschappen mee doen, maar een gesprek is moeilijk. In de klas laat ik ze toch pogingen doen, om de aanwezige woordenschat te activeren. En om de nieuwe woorden die ze zoeken en omschrijven aan te bieden.
Ilhame vervalt regelmatig in het Frans, waarvan ze lijkt te denken dat ik het moeiteloos versta. Maar mijn schoolfrans is niet toereikend om haar rappe Franse zinnen te kunnen volgen. “Langzaam!” roep ik dan, en voor mij is dat weer een geheugensteuntje: ik spreek waarschijnlijk vaak te snel voor de cursisten, die de meeste woorden toch eerst weer in hun hoofd terugvertalen voordat ze het volgende woord kunnen opnemen.
Maria is kersvers op les, en nog niet lang in Nederland. Bij alles wat ik zeg, gaat ze verlegen giechelen. Als ze zelf iets probeert te zeggen, is het in half Duits, half Nederlands en het kan alleen over concrete dingen gaan, zodat ze het kan aanwijzen of tekenen.
Het doet me weer denken aan een nieuwe leraar Engels die ik in de tweede klas van het VWO kreeg. Deze “mister Marcus” deed de eerste weken in zijn nieuwe baan alsof hij Engelsman was, en de hele school trapte erin. Natuurlijk had onze klas al een jaar Engels gehad in de brugklas, maar als mr. Marcus iets vroeg, was de enige persoon die antwoord gaf, een klasgenootje dat in Engeland op taalkamp was geweest. Ik durfde zelf te antwoorden met “yes” en “no”, de rest van de klas leek helemaal met stomheid geslagen. Na een week of twee, drie vertelde mr. Marcus de waarheid. Kennelijk werkte het niet zoals hij had gehoopt.
Mensen vragen me wel eens hoe ik dat doe, lesgeven aan mensen wier taal ik niet spreek. Dat zou wat zijn! Alle talen spreken van de mensen in mijn klas, dan zou ik nu vloeiend Arabisch, Berber, Bulgaars, Frans, Turks en Farzi moeten spreken.
Taaldocenten hebben daar zo hun trucjes voor. Tekenen en mime blijken onmisbare vaardigheden. Tegen wil en dank ben ik zelf veel aan het woord, en laat ik woorden en zinnen nazeggen. Plaatjesboeken voor kinderen helpen: “de eerste duizend woorden”(Amery en Cartwright) is onmisbaar in een klas met beginners. Een plaatjeswoordenboek is helemaal goed. Het is ook goed om te accepteren dat elke taalleerling een “stille periode” doormaakt voor hij of zij tot spreken overgaat. En, last but not least, humor.

Een collega – taaldocent vertelde me de volgende anekdote:
Aziz, een aantrekkelijke jongeman uit Egypte, was net een week in Nederland toen hij naar een discotheek ging. Van de Nederlandse barman had hij aan het begin van de avond wat pick-up lines geleerd.
Eenmaal op de dansvloer maakte hij al snel oogcontact met een leuk meisje.
“Wil je wat drinken?” vroeg Aziz.
“Straks,” antwoordde het meisje.
“Straks, straks, straks,” repeteerde Aziz terwijl hij naar de bar liep.
Hij had geen flauw idee wat “straks” betekende, dus deed hij bij de barman zijn bestelling:
“Een bier en een straks, alsjeblieft!”
De barman, die de versierpogingen van Aziz al een poosje gadesloeg, lag natuurlijk dubbel.
Gelukkig had Aziz gevoel voor humor, anders had hij de eerste tijd geen Nederlandstalige versierpogingen meer aangedurfd.

woensdag 11 juni 2008

Esperanto

Esperanto

Sevgi is aan het woord:
“Ik gisterenweek rijexamen. En dan ik ziek. Niet halen. Niet ziek, misschien halen.”
De klas knikt meelevend.
Briljant is het eigenlijk, deze taal. “Niet ziek, misschien halen.” Volkomen duidelijk in 4 woorden.
En dan kom ik en ik moet zo nodig in haar schrift schrijven:
“Als ik niet ziek was geweest, dan had ik het misschien gehaald.”
Sevgi lacht, ze is dol op grammatica. Vanavond gaat ze dit zinnetje oefenen met haar Nederlands sprekende man, daar hoef ik niks meer aan te doen.
Maar kunnen we het Nederlands nou niet een beetje makkelijker maken?
Laten we beginnen met alle werkwoordsvormen te vervangen door de infinitief.
Ik begrijp die Esperantisten wel.

dinsdag 3 juni 2008

Lachen (vervolg)

Het beschreven voorval in "Lachen" kreeg nog een vervolg................
In de klas kwam het woord "gierig" aan de orde. Om het begrip uit te leggen of te illustreren, vroeg ik Nadia de mop over de gierige man nog eens te vertellen. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht en riep: "Nee, nee!"
Veronderstellend dat het verlegenheid was, spoorde ik haar aan. Maar daar bleek het niet om te gaan, en het was ook wel een beetje dom van mij............ maar Amina, één van de andere cursisten bleek tot dezelfde bevolkingsgroep te behoren als die, waar de mop over gaat! Zoiets als een Belgenmop vertellen terwijl er een Belg bij zit, dat zou ik misschien ook niet doen, en zeker niet op commando!

dinsdag 27 mei 2008

Hemel en hel

Hemel en hel

Ik heb een groep gevorderden, die dol zijn op discussiëren.
Het lokaal kijkt uit op een aula van een begrafenisonderneming. Vanwege het kleine, benauwde lokaal hebben we meestal het raam open. De vrouwen merken op dat er af en toe een vreemde geur binnenwaait. (Ik ruik niets, maar dat kan aan mij liggen. Ik woon al 17 jaar aan een straat met veel uitlaatgassen, en denk wel eens dat mijn reukvermogen daardoor is afgestompt.) Ze zeggen dat het komt van ' de koelkast waar de dode mensen in liggen' . Ik bied het woord 'koeling' aan.
'Waarom zo lang in de koeling?', vraagt Halina. Bij ons, meteen onder de grond. Schoon, klaar. Gaat stinken anders. Het lichaam schreeuwt: "Ruim me op! Laat me gaan!" ' .
Ik vind dat eigenlijk wel een goede vraag. Even afgezien van mogelijk politieonderzoek na een onnatuurlijke dood (nee hoor, ik kijk niet te veel TV!) , wat zal je 5 dagen later nog afscheid nemen van een lichaam? De persoon, de ziel of hoe je het noemen wilt, is al weg, en daar neem je toch in je hart afscheid van?
Dan waag ik, op te merken dat ik liever heb dat ze mijn lichaam cremeren, dan begraven. Dat vindt Meriem wel vreemd: Als God dan komt om de doden tot leven te wekken, waar is mijn gebeente dan?
Ik leg uit dat ik geloof in reïncarnatie. Het hele concept lijkt wel nieuw te zijn voor Meriem, ik moet het 3 keer uitleggen en nog eens vertellen waarom. Volgens haar, of volgens de islamitische leer, komen er na je dood twee engelen die kijken wat je geloof was en of je goed of slecht hebt geleefd. Was je goed, dan gaat de poort naar de hemel open. Was je slecht, dan ga je naar de hel.
Nu ben ik weliswaar christelijk opgevoed, maar ook wel erg beïnvloed door mijn opleiding tot yogadocent. Ik probeer uit te leggen dat ik geloof dat het Gods bedoeling is dat iedereen, die nog niet goed is, de kans moet krijgen het te worden. God heeft geduld; Hij heeft de eeuwigheid. En ik heb moeite met de simpele zwart/witheid van goed versus slecht. Goede mensen vervallen soms in slecht gedrag, en wie bepaalt of dat een bewuste keuze is? En of ze anders konden? Volgens mij, vertel ik, moeten mensen gaan begrijpen dat God van ze houdt. En zelf van God gaan houden. Dat is mijn korte en simplistische manier om het begrip "verlichting" uit te leggen. Maar het concept van een God die liefde is, lijkt helemaal niet aan te komen.
Al pratende worden we het wel eens over een ding: Als God in staat is tot een wonder als het tot leven wekken van een duizend jaar oud gebeente, dan zal dat ook wel lukken met een bergje as. En zo is er voor ons allemaal nog hoop. En staat er aan het eind van de leestekst over iets heel anders, het volgende rijtje woorden op het bord:
Begrafenis
Crematie
Uitvaart
Reïncarnatie
Engelen
Hemel en hel.

vrijdag 16 mei 2008

Lachen

Lachen

Nadia is een mooie vrouw om te zien, ook zonder opsmuk. En zonder hoofddoek, wat haar een uitzondering maakt tussen de andere Marokkaanse dames in de groep. Ze begint een paar weken na de anderen in de groep mee te doen, dus doe ik weer een voorstelrondje.
Iemand wil weten hoe oud ze is. “Dat vertel ik niet”, zegt ze lachend, “want jullie geloven het toch niet”. In haar dossier zie ik haar geboortedatum, en reken uit dat ze 52 is. Ze ziet er minstens 10 jaar jonger uit, en dat ondanks alles wat ze heeft meegemaakt. Want dat hoor ik in de pauze van haar: behalve de emigratie op haar zestiende ook nog een slecht huwelijk, een echtscheiding en een kind dat op jonge leeftijd overleed.
Ze lijkt er een enorm invoelend vermogen aan overgehouden te hebben. Dat merk ik al snel aan de manier waarop ze feilloos door lijkt te hebben wie behoefte heeft aan wat voor aandacht in de groep. Als docent registreer ik die dingen wel, maar ik kan er niet altijd iets mee door de positie waarin ik verkeer.
Maar Nadia gaat, als ik een groepsfoto wil maken, tussen twee vriendinnen in staan die uit een ander land afkomstig zijn en uit verlegenheid altijd erg bij elkaar klitten. Ze legt een vriendschappelijke arm om beider schouders. Op de uiteindelijke foto zie ik Nadia stralend lachen tussen twee onwennig lachende dames in.
Een paar weken daarna hebben we een uitstapje. Met z’n allen in de tram. Gelukkig is het mooi weer, want Farah is zeer slecht ter been en de wandeling van het buurtcentrum naar de tramhalte is voor haar al een hele onderneming. Het is Nadia die samen met mij haar bij elke straathoek weer opwacht en aanspoort.
Op de terugweg in de tram gaat Nadia naast Ilhame zitten. Ilhame heeft een poos in Franstalig België gewoond en daar aan de universiteit gestudeerd. Ze heeft er wat damesachtige gewoontes en opvattingen aan overgehouden, en denkt veel moderner dan de meeste van haar landgenoten. Behalve dat is ze erg verlegen. Ze vervalt veelvuldig in het Frans, ik had haar natuurlijk nooit moeten vertellen dat ik die taal versta. Als de anderen voluit lachen om een grapje, doet zij dat achter haar hand met een blos op haar wangen. Spreken in de klas doet ze wel, maar heel zachtjes, zodat het vaak dreigt te ontaarden in een dialoog tussen haar en mij, waarbij de rest van de klas uiteraard weer de kans schoon ziet om in hun eerste taal verder te discussiëren. Dan zet ik alle zeilen bij om te zorgen dat iedereen naar haar luistert.
Nadia en Ilhame, het is een verrassende combinatie. Nadia is warm en spontaan. Ze lijkt door het pantser van Ilhame heen te willen prikken. Ze zitten dicht tegen elkaar aan en ze lachen.
“Wat is de grap?”, wil ik natuurlijk weten.
“Ik vertel moppen”, zegt Nadia. “Over de S………(? Wie het weet mag het zeggen) Dat is een bevolkingsgroep in Marokko. Ze zijn heel rijk en heel gierig. Een echtpaar was eens in een heel grote supermarkt aan het winkelen, toen de vrouw zei: “Ik zou wel een Danoontje lusten”.
Maar de man wilde het haar niet geven, dus zei hij: “Maar de winkels zijn dicht!”.
Ik moet haar vreemd hebben aangekeken want Nadia vroeg: “Snap je hem? Ze waren in de winkel maar hij zei: de winkels zijn dicht!”.
Ik kan er een vage grijns voor opbrengen.

(Humor is cultureel bepaald, dat merkte ik ook toen ik onlangs een raadsel “uit mijn tijd” vertelde aan mijn 19 jarige zoon:
“Wat is het verschil tussen een dood vogeltje?”
“??????????”
“Zijn ene pootje is even lang!”
Zoonlief had er niks mee en vroeg me, wat we indertijd rookten, dat ik dat zo grappig vond.)

Nu vind het wel tijd voor een Belgenmop, omdat Ilhame tenslotte in België heeft gewoond.
“Je weet toch dat wij moppen vertellen over Belgen: dat ze dom zouden zijn en dol op patat friet? Nou: Hoe krijg je een Belg gek?”
“Kweet niet”, zegt Nadia. (Ze heeft zowaar een Amsterdams accent, zo lang verkeert ze al met Amsterdammers.)
“Zet hem in een ronde kamer en vertel hem dat in één van de hoeken een bord patat staat.”
Nu is het Nadia’s beurt om mij met ogen als schoteltjes aan te kijken.
“Maar die kamer is toch rond?“
” Ja, daarom werd hij juist gek!”
Nu begrijpt ze de mop en vertelt hem in het Arabisch aan Ilhame, die even later ook zit te hikken van het lachen.
Nog ééntje dan, voor de juiste morele balans:
“En wist je dat Belgen moppen vertellen over Nederlanders? Dat wij zo gierig zijn? Dus: Hoe kan je vanuit een vliegtuig zien dat je boven Nederland vliegt?”
“Kweet niet?”
“Daar hangt het toiletpapier buiten aan de waslijn.”
Terwijl we uit de tram stappen, vertelt Nadia hem weer in het Arabisch door aan Ilhame. Humor over schraperige bevolkingsgroepen lijkt wel universeel, want ze giechelen samen als schoolmeisjes. Zou Nadia Ilhame een beetje losser kunnen maken? En moet moppen vertellen geen onderdeel worden van het inburgeringsexamen?

donderdag 1 mei 2008

Als Suikerfeest en Thanksgiving op één dag vallen

Als Suikerfeest en Thanksgiving op één dag vallen

Van de week zat ik in het buurthuis waar ik les geef, in de pauze aan de bar met een jonge Turkse cursiste. Ze wees me op een man verderop aan de bar. “Wat heeft hij aan zijn handen?” vroeg Sevgi. Ik keek. Grote knobbels op zijn gewrichten, zijn handen stijf en vergroeid.
“Reuma, denk ik,” antwoordde ik.
Tegelijk met Sevgi keek ik naar onze gezonde handen. We keken elkaar aan, en toen keken we tegelijk naar boven. “Gezondheid is iets om dankbaar voor te zijn,” zei ik. Daar was ze het wel mee eens.

Er wordt veel gezeurd en geklaagd in Nederland. Ook op feestdagen. De commercie heeft de Christelijke feestdagen van zijn betekenis ontdaan.
Kerst is een eetfeest geworden.
Sinterklaas gaat over cadeautjes.
Sint Maarten gaat over snoep.
Pasen, waar gaat dat ook al weer over? Chocola eten?
En Pinksteren? Weet helemaal niemand meer.
Eind 2006 bedacht het CNV daarom dat het een goed idee zou zijn om tweede pinksterdag af te schaffen en dan een vrije dag te maken van het islamitische Suikerfeest. Ik ben helemaal voor. Helaas is er weinig draagvlak voor: We laten “ons” feest niet inpikken door “hun” feest! Nu loop ik al een paar jaar rond met het idee dat het jammer is dat we in Nederland niet zoiets kennen als Thanksgiving. In oude agenda’s stond nog wel eens: “dankdag voor het gewas”, ergens in het najaar, maar ik heb nog nooit gehoord van iemand die dat vierde.
In deze tijden van Wildersfilms en andere verschijnselen van polarisatie denk ik dat Suikerfeest Nationale Dankdag moet worden, en dan van ons allemaal. De tijd is rijp.

Om dit te lanceren heb ik ook nog wel een idee:
Zet wat bekende Nederlanders in een studio. Ze mogen om de beurt voor de camera vertellen waar ze dankbaar voor zijn.
Afwisselen met straatinterviews: onbekende Nederlanders. Autochtonen, allochtonen, jong en oud, gezond en gehandicapt, kinderen, toeristen. Christenen, Moslims, Boeddhisten, Hare Krishna’s. Misschien een priester en een imam.
Ze mogen nadrukkelijk geen dingen zeggen als: “Ik wil effe mijn buurvrouw bedanken dat ze altijd op mijn kinderen past als ik naar de sportschool ga. Annie, dankjewel!”
Ik heb het over een onpersoonlijk soort dankbaarheid, waar mensen naar keuze een religieuze invulling aan kunnen geven.
Muziekjes en optredens er tussendoor. Alsjeblieft geen cadeautjes, geen vreetfestijn, geen wedstrijdelement.

En als we dat nou voortaan vieren op de dag van het Suikerfeest, is het niet één keer per jaar intercultureel feest, maar wel een keer in de elf - en - een - halve maand!

Mijn klas is in elk geval ook helemaal voor. Hoeven ze ook geen vrij meer te vragen van een onwillige schooldirecteur, terwijl hun Nederlandse vriendjes allemaal wel naar school moeten.
“ Is Suikerfeest wel een Dankjewelfeest?”, vroeg ik nog.
Jazeker, knikten ze allemaal.

Waar wachten we nog op? Ik ga alvast oefenen met mijn klas:
“Waar ben jij dankbaar voor?”

vrijdag 25 april 2008

vliesbloemmedder

Vliesbloemmedder

De juf in het verhaal uit onze lesmethode ligt in het ziekenhuis met een blindedarmontsteking.
Dat woord komt op het bord.
Een moeilijk en lang woord! Ik splits het in drie stukken en maak er een tekening bij. Ik leg uit: buikpijn, koorts, operatie.
Dat wordt gelukkig begrepen.
Zo komt het gesprek op ziekenhuizen.
“Narcose is belangrijk”, zegt Sevgi. Ze heeft een voorkeur voor het woord “belangrijk”.
“Waarom, Sevgi?”
Er volgt een tandartsverhaal, dat ik de lezer zal besparen.
Het woord narcose komt op het bord.
Ik vertel over de keer dat mijn spataderen verwijderd moesten worden. Door de ruggenprik voelde ik mijn benen niet meer, en achter een scherm zag ik ineens een groot wit ding opdoemen met rode vlekken: Mijn been, met jodium.
Ayisha kent die gewaarwording van haar keizersneden.
“Je voelt niks, en ineens, een baby!”
Ik schrijf het woord keizersnede op het bord. En ruggenprik.
Fadilah vertelt over haar belevenissen met de Nederlandse medische stand.
“Ik vliesbloemmedder, dokter, ziekenhuis, hier Oost, hij zeggen, alles uit!” Ze wijst op haar buik.
“De dokter in het Oosterziekenhuis wilde je baarmoeder er uit halen?”
“Ja, ja, en ik bang, ik zeggen nee, nee, naar Marokko.”
“Maar waarom moest je baarmoeder er uit?”
“Vliesbloemmedder!”
“Bedoel je bloedverlies?”
“Ja, bloedverlies, ik vergeten, moeilijk woord.”
Ik schrijf "baarmoeder" en "bloedverlies" op het bord. Werkelijk in de veronderstelling dat “vliesbloemmedder” een soort verhaspeling is van “bloedverlies”.
“Dan dokter Marokko, hij zegt, alleen vliesbloemmedder uit, rest blijft hier.” Ze wijst weer op haar buik.
Er begint me iets te dagen.
“Bedoel je vleesboom?
“Jaaaah, vliesboem.”
Ik schrijf vleesboom op het bord. Maak er een tekeningetje bij; een baarmoeder met een boompje erin.
Nu begrijpt iedereen het.

Maar hoe gaat Fadilah, die al drie jaar vliesbloemmeder zegt, het verschil tussen ee en ie, en oe en oo leren zeggen?
Dat wordt misschien een leuk uitspraakoefeningetje voor de volgende les:
Bloed – bloot
Weet - wiet.

vrijdag 11 april 2008

Koud in Nederland?

Koud in Nederland?

Het is maart en, ja, koud. De dames komen binnen met hun dikke jassen aan, die ze aan de kapstok bij de deur hangen.
Bij vorige cursussen kreeg men de koffie en thee aangeboden door de taalaanbieders; bij deze cursus is daarop bezuinigd en daarom blijven ze tijdens de pauze bijna allemaal in het lokaal zitten. Ik ga zelf wel altijd naar de kantine beneden, een kwartiertje voor koffie en misschien een gesprekje of een voorpagina.
Alim, de beheerder van het buurthuis spreekt me hier een keer over aan. Net als de meeste van mijn cursisten, is hij van Marokkaanse afkomst.
“Waarom blijven ze in het lokaal? Waarom neem je ze niet mee naar beneden?” vraagt hij.
“Ze vinden de koffie te duur,” lach ik. Koffie kost hier een halve euro.
Maar Alim is serieus.
“Inburgeren lukt niet alleen zittend in een lokaal, ze moeten ons, de medewerkers van het buurthuis, toch ook leren kennen? Ze hoeven van mij geen koffie te kopen, ze kunnen hier hun eigen koekjes opeten.”
“Ik zal ze volgende week eens meenemen,”beloof ik.
Dit “meenemen” heb ik twee lessen tevoren al aangekondigd, toch lijken er vrouwen te zijn die van alles opkijken als ik zeg: “Kom, vandaag gaan we naar beneden. Allemaal!”
“Ik moet eerst bidden, ik kom zo meteen wel” zegt Fadilah.
“Nee, niks ervan,” zeg ik. “Dit is een deel van de les. Het is geen pauze. Als we weer boven zijn mag je bidden”.
Schoorvoetend komt iedereen van haar stoel af. Er worden jassen aangetrokken.
“We gaan niet naar buiten hoor, alleen naar beneden. En ik doe het lokaal op slot. Je hoeft geen jas aan, en je tas kan je ook hier laten,” zeg ik.
De jassen blijven aan. Een paar vrouwen mompelen iets over “koud” maar eentje is wat directer. “Er zijn mannen beneden,” zegt ze. “Wij schamen ons.”
“Schamen? Je hebt toch kleren aan?” vraag ik. Ze draagt kleren die haar van top tot teen bedekken, alleen haar gezicht vrijlaten.
Daar komt niet echt een reactie op.
Eenmaal beneden bestelt iedereen netjes in het Nederlands haar koffie of thee, met “alstublieft”en “dankuwel” op het juiste moment. Alleen Maria nog niet, maar die is pas op les. “Thee” glimlacht ze naar de barjuffrouw.
“Thee alstublieft” zeg ik.
Nuha vindt me een beetje streng. “Ze glimlacht toch? Een lach zegt alles!”
“Op haar inburgeringsexamen zullen ze ook letten op alsjeblieft en dankjewel” zeg ik.
Intussen is degene die dit alles had aangezwengeld, Alim, in gesprek met een dame, waardoor ik hem niet aan mijn dames kan voorstellen. Maar ze hebben tenminste kennisgemaakt met de receptioniste en de barjuffrouw.
De volgende dag spreek ik Alim. Hij vindt het jammer dat ze het kantoor niet in zijn geweest.
“Ik heb het ze wel laten zien,” zeg ik. “En ze weten nu de naam van de receptioniste en de barjuffrouw. En ze weten nu maatschappelijk werk te vinden. Maar jammer dat jij net in gesprek was, anders had je ze kunnen uitnodigen, het kantoor in.”
Daar gaat hij een beetje van grijnzen. “Ik kan hier echt niet gaan staan en tegen die dames zeggen: kom hier, kom bij mij naar binnen”, zegt hij.
“Ah…. Om dezelfde reden als dat ze hun jassen aanhouden?” vraag ik.
“Ja, zoiets. Misschien is er schaamte, of onwennigheid. Maar als je dit werk doet, zou je jezelf eigenlijk een beetje in de cultuur moeten verdiepen van de mensen die je lesgeeft. Dan begrijp je dat beter.”
Hier ben ik achteraf een beetje verbolgen over, merk ik.
Als er iemand is die een poging doet om een andere cultuur te begrijpen, dan ben ik het. Maar als niemand mij iets vertelt, hoe kan ik dan weten dat deze vrouwen zich nog altijd schamen, al dragen ze kleren die hun hele lichaam bedekken, inclusief hun haar? Of is het vreemd om te veronderstellen dat je jezelf vrij kunt voelen met een wijde jurk aan die reikt van je hals tot aan je voeten?
‘s Middags zit ik bij een collega op de bank.
“Schaamte is een aangeleerde emotie, en mannen hebben er heus geen last van” foeter ik nog na.
“Misschien moet je daar eens een lesje aan besteden,” merkt mijn collega op.
Beste collega’s die dit lezen, wie heeft er een lesidee over het thema “Schaamte”?

maandag 31 maart 2008

Een soort ruzie

Een soort ruzie

Fitna is eindelijk een feit. “Wilders houdt het Nederlandse volk al maanden in gijzeling”, wie zei dat ook al weer? Het Nederlandse volk is nu dan bevrijd.
Ik heb er zelf nog niets van gezien als ik ’s ochtends de klas binnenkom, en vind het daarom ook een non-onderwerp. Er wordt echter druk in het Turks en Arabisch door elkaar gepraat, waartussen het enige woord dat ik begrijp “Fitna” is.
Ik zal er dan toch maar aan geloven, rustig wordt het anders voorlopig toch niet, dat is duidelijk.
Eerst laat ik ze de betekenis van het woord in het Nederlands vertalen. “een soort van ruzie”, zo ver komen ze.
“Proberen ruzie te maken?” vraag ik. Ja, dat bedoelen ze. Ik schrijf het woord provoceren op het bord. Ik heb ook alleen maar een klok horen luiden. Een Arabisch/Franstalige knikt herkennend, maar aan de rest is een taalkundige invalshoek nog niet besteed. Binnen een paar minuten moet ik wel vijf keer roepen: Nu weer in het Nederlands!
Ik probeer te inventariseren wat er dan te zien was in die film.
“Slechte dingen. Wilders slechte man”, weet een cursiste. Gebrek aan woorden geeft soms een akelig gebrek aan nuance.
Een andere vertelt over terroristische aanslagen en de Deense cartoon: De profeet met een bom als tulband. Ik merk dat de meeste met hun mond vol tanden zitten.
“Wie heeft die film gezien?” vraag ik. Weer wordt er in duizend tongen door elkaar geroepen. Ik begin me een Babeltorenbouwer te voelen. Ik ga gewoon de rij af.
“Heb jij de film gezien? En jij? Heb jij het gezien? Heb jij Fitna gezien?”
Van de tien mensen hebben er drie stukjes ervan gezien. Ik leg de niet-kijkers eerst maar eens het zwijgen op en laat degenen die er iets van hebben gezien verder vertellen.
Dat ze zich geen van allen identificeren met de daders van de aanslagen, wordt ook duidelijk.
Terrorisme is haram. Zelfmoordaanslagen: Haram. Al is er één vrouw die daarover in discussie lijkt te willen gaan, maar alleen in het Arabisch, dus die negeer ik, net zoals ze mijn ogen ontwijkt.
Dan is het weer tijd voor een vraagwoord.
Waarom denk je dat Wilders die film heeft gemaakt?” vraag ik.
Daar worden ze zowaar stil van. Ja, waarom eigenlijk? Kan ik het vertellen?
“Meneer Wilders is bang!” zeg ik.
“Voor wat is hij dan bang?”
“Voor jullie!”
Er verschijnt zowaar een lachje. Huh? Bang voor ons?
“Meneer Wilders is bang dat iedereen in Nederland moslim wordt, en dat de Sharia hier wordt ingesteld”, vertel ik verder.
Even zijn ze met stomheid geslagen.
Ayisha zou wel weten hoe ze meneer Wilders gerust zou stellen:
“Alleen God kan beslissen of dat gebeurt. Als God het wil, wordt iedereen in Nederland moslim. Daar kunnen wij niets aan doen. En Wilders ook niet”.
Nou ben ik niet zo gecharmeerd van een dergelijk fatalisme. Over de gedachte, dat alles gebeurt zoals het gebeurt omdat God het wil, ben ik persoonlijk al een paar keer vrij hard gestruikeld. Ik ben blij dat ik er rond mijn vijfentwintigste dan toch eindelijk achter kwam dat ik een eigen wil en creërend vermogen in mijn leven heb. En dat God graag wil dat ik die gebruik.
Ik probeer dat in eenvoudige bewoordingen over te brengen. Maar eigenlijk begin ik genoeg te krijgen van het onderwerp. Ik wil er nog één ding over kwijt.
“Moslims kunnen ook een film maken” begin ik. “Over de Bijbel. En de slechte dingen die christenen hebben gedaan in naam van God.”
De boodschap lijkt niet aan te komen. En waarom zou die ook. Het zou een nare film worden. Oorlogen, kolonisatie, kruistochten, inquisitie. En dan een scheurend geluid, terwijl de gruwelijkste passages uit de Bijbel in beeld komen. Jezus aan een kruisraket.

Volgend onderwerp, dames. Zullen we in mei een rondvaart door de Amsterdamse grachten doen?
Jottum!

vrijdag 28 maart 2008

laten we dat maar doen

Laten we dat maar doen

In een groep met vrouwen die nog niet zo veel Nederlands spreken, gebruik ik soms een methode met de naam “Taalriedels”. Het bestaat uit dialogen op CD en op papier in korte, veel gebruikte zinnetjes, met op de achtergrond de ritmische tik van een metronoom.
Iedere zin wordt een keer herhaald, zodat de cursisten de kans hebben om de tweede keer mee te doen. Het klinkt ongeveer zo:

“Nou dag, tot ziens hè!” tik – tak – tik – tak.
“Nou dag, tot ziens hè!” tik – tak – tik – tak.
“Ja, tot gauw maar weer!” tik – tak – tik – tak.
“Ja, tot gauw maar weer!” tik – tak – tik – tak.

De makers van deze methode hebben gevoel voor humor. Dikke pret moet het ook geweest zijn voor de stemacteurs, die de gekste zinnetjes gortdroog herhalen.
Dikke pret hebben mijn cursisten en ik ook met het uitspreken van een zinnetje, dat op papier aangegeven staat als: “Laten we dat maar doen”, in antwoord op de vraag: “Zullen we gaan?”.
De stemacteurs houden zich namelijk natuurgetrouw aan de gebruikelijke manier om dit uit te spreken.

“Zulle we gaan?”
“Zulle we gaan?”
“Lawe damma doen.”
“Lawe damma doen.”

Lawe damma doen, probeer ik de cursisten te laten zeggen. Ik denk zelf dat het gemakkelijker is dan “laten we dat maar doen.”
“Lamadamadoem”, zegt Sadiqa.
“Walamadadoem”, zegt Fatiha.
“Mada mada boem”, probeert Rachida.

Farah uit Afghanistan is vandaag nieuw. Ze zit er de hele les al wat depressief bij, niet echt alsof de spanning van een nieuwe groep waarin ze een jaar les zal hebben, haar energie geeft.
“Lawe damma doen”, zegt ze vlekkeloos. Ze vindt het wel goed klinken en herhaalt het een paar keer. Ik kijk haar aanmoedigend aan. Ze gaat er helemaal rechtop van zitten.
“Madamadahoem”, probeert Rachida nog eens.
“Nee, Lawe damma doen” verbetert Farah.
“Ja, heel goed, Farah,” lach ik. Er verschijnt zowaar een klein glimlachje op haar gezicht.
De laatste 3 minuten van de les laat ik Farah de anderen het zinnetje leren. Ze bloeit er werkelijk van op. Ik geloof dat ik mijn klassenassistente heb gevonden.

vrijdag 21 maart 2008

Tot 10 tellen

Tot 10 tellen

Toen ik op twintigjarige leeftijd besloot, eens een poosje met een vriendin door Europa te gaan reizen, had ik me daar taalkundig op voorbereid. Ik had geleerd, tot tien te tellen in de talen van alle landen die ik ging bezoeken. Ik kon in elke taal alsjeblieft en dankjewel zeggen, ja en nee, goedemorgen, goedemiddag en goedenavond.
Het woord “goed” bleek ook handig in combinatie met ja en nee. “nee goed” en “ja goed”, dat begrijpt iedereen. Bovendien was goedemiddag altijd een leuke binnenkomer; mensen gaan spontaan glimlachen als je die poging doet in hun taal.
Ik besef best dat een immigrant een andere rol speelt dan een toerist, maar wat kan je verwachten van iemand die hier al twee jaar is?
Goeie vraag.
Een nieuwe cursiste in een bestaande groep, Maria, zo lees ik in haar dossier, heeft in een Oost – Europees land op school gezeten, en woont al twee jaar in Nederland. Van zo iemand kan ik bepaalde verwachtingen maken; iemand met een schoolopleiding heeft zo veel inzicht in hoe je een taal leert, die heeft zelf allang wat basiswoorden geleerd van haar buurvrouw, boeken uit de bibliotheek geleend om zichzelf op weg te helpen, Nederlandse TV gekeken, haar woordenboek stukgelezen, enzovoorts.
Dat mijn ervaring niet genoeg is bewijst deze cursiste. Bij elk van mijn vragen begint ze verlegen te giechelen en haalt haar schouders op. Tot tien tellen, of zelfs maar haar eigen leeftijd vertellen: lukt niet. Als de cursisten aan het eind van de les “tot morgen” zeggen, zegt zij: “bis morgen”.
“Spreek je Duits?” vraag ik dan natuurlijk.
“Nein”, zegt ze.
“Wij zeggen: tot morgen, “ vertel ik haar.
“Tot morgen,” herhaalt ze giechelend.
Ik ben compleet de kluts kwijt. Een intelligente jonge vrouw, met scholing, westers opgevoed, met een Nederlandssprekende man! En na twee jaar hier nog niet tot tien kunnen tellen!
De rest van de groep bestaat uit langzaam lerende pas gealfabetiseerde mensen, maar ze spreken over het algemeen wel een behoorlijk mondje Nederlands, en kunnen een verhaaltje vertellen in zinnen van twee of drie woorden. Tijdens de klassikale lessen kom ik daarom af en toe even speciaal naar Maria toe om wat woorden te verklaren. Een woordenboek bezit Maria niet, ook haar man is kennelijk niet op het idee gekomen om haar dat cadeau te doen. Gelukkig heeft ze gezelschap van een vrouw uit hetzelfde land die een stuk verder is en voor ons vertaalt.
Van haar hoor ik ook iets meer van de hindernissen waar Maria over struikelt. Zo blijkt, dat ze haar jonge kinderen achter heeft moeten laten bij haar moeder in het thuisland. Ze heeft ze al lang niet gezien. Dat ze onlangs een miskraam heeft gehad zal ook niet helpen voor haar taalvorderingen. Als klap op de vuurpijl vertelt Maria via haar landgenote nog, dat haar man, als hij ’s avonds laat eindelijk thuis is, geen aandacht aan haar besteedt, maar meteen achter de computer schuift. Tja, dan maakt het ook niet meer uit of die man nou Nederlands spreekt of niet.
Helaas voorziet de Wet Inburgering niet in hulpvaardige echtgenoten. Intussen leer ik Maria tot tien tellen. En als ik haar man ooit ontmoet, zal ik ook eerst tot tien tellen voor ik hem te woord sta. In alle talen waarin ik het nog weet.

vrijdag 14 maart 2008

bevallen in het Nederlands

Met mijn collega Lena heb ik afgesproken dat we een aantal lessen aan het thema “zwangerschap en bevalling” zullen wijden. Van tevoren hebben we het verteld aan de groep, zodat ze voorwerpen of foto’s mee kunnen nemen die voor hen herinneringen oproepen aan hun zwangerschap of bevalling. Aangezien het hier een groep moeders van een basisschool betreft, kunnen we dit thema nemen. Twee ervan zijn hoogzwanger. Met één kinderloze vrouw ertussen zou het al heel anders zijn. Laat staan in een groep met mannen erbij, het onderwerp is daarvoor nog te zeer taboe voor sommigen.
Eén voor een laten de vrouwen hun voorwerpen zien en vertellen over hun ervaringen. Karima krijgt meteen de lachers op haar hand. Ze laat een foto zien van haar baby in een ziekenhuisweegschaal en vertelt dat ze nooit thuis zou willen bevallen, want ze schreeuwt zo hard tijdens de bevalling. Tijdens haar eerste bevalling vroeg de dokter haar, of het niet wat zachter kon; enkele kamers verder op de gang hadden ze geïnformeerd wat er toch aan de hand was. “Ga jij maar weg, want je weet er niks van! Jij bent ook een man!” had ze de arts toegebeten. De gynaecoloog was even weggelopen, om later weer terug te komen bij het bed. Toen haar man voorzichtig opperde dat het toch iets minder kon, kreeg hij ook een veeg uit de pan: “Jij! Moet helemaal je mond houden! Het is allemaal jouw schuld!”
Ze vertelt het met hetzelfde temperament dat uit het verhaal blijkt, en we gieren allemaal van het lachen.
Een ander verhaal komt van Farah. Haar dochter was geboren, het was een zware maar goede bevalling geweest. Toen kwam de placenta. “Wat is dat nou?” had ze haar man gevraagd. Ze schrok ervan. Was het nog een kind, maar dan een mislukte? Haar man wist het ook niet. Ze vroegen het aan de gynaecoloog, die ze vertelde wat het was en waar het voor diende.
Ik bedenk me hoe beangstigend een bevalling kan zijn als je niet goed bent ingelicht, helemaal als het je eerste is, en helemaal in een vreemd land waar je de taal niet spreekt. Nog regelmatig bevallen vrouwen, of meisjes soms nog, in Nederlandse ziekenhuizen terwijl ze nauwelijks weten wat er gaat gebeuren.
In dat verband spreekt ook het verhaal van Asha. Ze moest ingeknipt worden omdat de bevalling niet opschoot, en de harttonen lieten weten dat het kind, haar eerste, er echt uit moest. Ze was bang toen ze de schaar zag en begreep niet wat er gebeurde. Ook haar man leek het niet te weten. Hij zat achter haar, maar wist ook niet veel meer dan zij. Toen het kind er eenmaal was en ze gehecht moest worden, was ze alleen maar verdrietig. Ze dacht dat ze de eerste en enige vrouw was die niet zonder schaar kon bevallen. En of het “daaronder” allemaal weer goed kwam kon ze ook niet vragen. Toen ze het kind aan de borst kreeg, huilde ze nog.
Er vloeien meer tranen, deze les: sommige zwangerschappen eindigen niet zoals je het zou willen. De veerkracht van deze vrouwen is enorm en ik heb grote bewondering voor ze. Moederschap is zoiets universeels dat deze les gebeurt wat ik had gehoopt: de groep voelt nog veel meer dan anders als een eenheid, ondanks dat er 6 verschillende nationaliteiten in zitten. Zelfs in de pauze praten ze door, reden voor Lena en mij om de pauze iets te laten uitlopen. Spontane taal is altijd beter dan in lesverband.
Lena vertelt dat ze het hoofdje had gevoeld met haar handen, omdat een vriendin die bij de bevalling was, had gezegd: “ik zie het hoofdje!” Ik herinner me dat ik dat ook deed, na enig aandringen van de verloskundige. Ik voelde toen een vreemde richel, dat bleek de richel te zijn die er eventjes is door het over elkaar schuiven van de twee schedelhelften. Het voelde heel vreemd, ik kan me dan ook voorstellen dat de andere vrouwen een beetje huiveren bij het idee.
Saida vertelt dat haar bevalling zo pijnlijk was, dat ze daarna besloot dat één kind genoeg was, terwijl ze daarvoor plannen had voor een groot gezin.
Amy laat een echofoto zien. Ze vertelt dat ze na twee miskramen niet durfde te hopen dat ze weer zwanger was. Maar uit de echo bleek dat ze al 13 weken heen was; voorbij de “gevarenzone”. Ondersteund door haar zussen was ze het ziekenhuis weer uitgestrompeld. Ze durfde niet meer zelf te lopen, bang dat het kind er weer “uit zou vallen”. Liggend op de achterbank was ze teruggereden naar huis en de rest van de zwangerschap was ze door haar zussen verzorgd en vertroeteld, opdat ze haar kindje gezond ter wereld zou kunnen brengen.
Op dat moment komt hij langs in de gang: Een flinke gozer van een jaar of 11. Die zussen hebben goed werk gedaan, dat blijkt maar.

woensdag 12 maart 2008

de honger de wereld uit

leer Engels en help honger de wereld uit - allemaal tegelijk op www.freerice.com

vrijdag 7 maart 2008

1001 nachten

1001 nachten

Op een ochtend kwam ik het leslokaal binnen met een krant. Ik lees vaak een paar berichten voor, en schrijf dan de moeilijke woorden op het bord. Nadat ik het grootste artikel van de voorpagina had behandeld, viel mijn oog op een klein berichtje. “Moslima’s gaan nu ook vreemd” stond erboven. Wetend dat mensen het liefst over zichzelf horen, vertelde ik de klas de inhoud van het bericht: uit een enquête, die anoniem ingevuld kon worden, bleek dat
25 procent van de moslimvrouwen vreemd gaat.
Verontwaardigde reacties: “Dat kan helemaal niet!”. “Wie heeft dat onderzoek gedaan?” .“Ik geloof het niet!”.
Karima wist ook iets opzienbarends te vertellen: “Ik heb laatst gelezen dat 75 procent van de vrouwen, hoe zeg je dat, hun vinger gebruiken in plaats van een man! Dat geloof ik ook niet!” Ze stak er een mooi gemanicuurde wijsvinger bij op.
Van sommige vrouwen kreeg ze bijval, anderen keken plotseling een andere kant op. Een vrouw was zo moedig om te zeggen: “Dat jij het niet doet wil niet zeggen dat anderen het ook niet doen”.
We vragen ons nog even hardop af met wie die mannen toch allemaal vreemdgaan: maar liefst 75 procent! Die doen het dus met die 25 procent getrouwde vrouwen? Of met singles, die niet meegenomen zijn in het onderzoek? Of met prostituees? Ik krijg de indruk dat de meeste vrouwen dit helemaal niet willen weten, en ga door met het nieuws op pagina twee.

donderdag 28 februari 2008

presentatie openbare bibliotheek amsterdam voor NT2 docenten

Presentatie OBA 21/2/2008

Na een woord van welkom door Tine de Lange, hoofd educatieve dienst, volgde de presentatie van de verschillende programma’s die de OBA dit en volgend jaar te bieden heeft voor NT2 cursisten. De inhoud van deze programma’s kun je nalezen in de brochure voor NT 2 docenten van de OBA, maar ik geef een kort overzicht.

Er is in principe één aanbod voor alle 28 vestigingen van de OBA, maar natuurlijk heeft de ene bieb meer Pc’s, boeken etc. dan de andere.

De programma’s vallen uiteen in 4 thema’s:

- kennismaking. 1. algemeen
2. OGO lesprogramma met aan het eind een portfoliobewijs
3. het spel BiebQuiz, waarin de regels van de bieb aan bod komen.
- digitale vaardigheden: - muistraining
- internetintroductie.
- leesbevordering. Dit gaat aan de hand van o.a. de actualiteit: de Start! Krant, het “Netnieuws” op de Taal – Pc.
- Educatieve ondersteuning:
- op de Taal Pc’s het programma “Een goed begin” (de eerste 350 woorden)
- Eerste hulp bij Nederland (KNS) : oefenen met toetsen
- Leren lezen en schrijven: Eigenlijk bedoeld voor de Nederlandstalige analfabeet (denk: Prinses Laurentien) bestaand uit 12 video’s met oefenmateriaal, waarbij cursisten zelfstandig aan het werk gaan en hun eigen vorderingen kunnen bijhouden.
- De slimme Nieuwslezer (ALANE)
Dit onderdeel werd verder uitgebreid gepresenteerd door een jongeman wiens achternaam ik kwijt ben, maar zijn voornaam is Ritze, en hij is één van de ontwikkelaars. Het is een prestigieus project met partners in de ICT en krantenuitgeverijwereld. Ik werd er wel enthousiast van, maar het lijkt vooral bedoeld voor de hogere niveaus. Ook hier is het idee dat cursisten na een groepsintroductie verder zelfstandig, en wanneer ze maar willen, op de Pc’s aan de slag kunnen en hun eigen vorderingen bijhouden. Het programma begint met 70 vragen om het niveau van de cursist te bepalen (waarbij het kan voorkomen dat het na 20 vragen concludeert dat verder vragen zinloos is…)
Elke dag (!) zijn er nieuwe artikelen die op grond van de niveautoets de eerste keer aangeboden worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een tekst te volgen is als 90 % van de woorden bekend is. De overige 10 % is aan te klikken, waarop het programma hetzelfde woord nog eens aanbiedt, maar dan in een andere zin (zodat men de betekenis uit de context kan opmaken), of een vertaling, of een synoniem.
Ik weet dat ik op die manier vreemde talen heb geleerd, maar heb er zo mijn twijfels over of ik “mijn” dames daar kan krijgen. Reden ook voor iemand uit de zaal om te vragen of er ook iets wordt ontwikkeld voor laaggeletterden. Daar wordt inderdaad ook aan gewerkt.
ALANE is een online programma dat voorlopig alleen in de OBA te bereiken is, maar er gaat weer gepraat worden met de krantenuitgevers of het toch niet voor iedereen beschikbaar mag worden.

Zoals je ook in de brochure kunt lezen, duurt elk programma 90 minuten en is gratis. De OBA gaat ervan uit dat een docent de groep mede begeleidt, en het wordt verder verzorgd door een medewerker van de bibliotheek, die zich hierin heeft bekwaamd.
Dit houdt in, dat niet iedere bibliothecaris deze programma’s kan geven en dat je er dus een afspraak voor moet maken (dit kan ook buiten de openingstijden om van jouw filiaal) dit kan d.m.v. een formulier op de website.

Een grappig intermezzo was de BiebQuiz voor docenten, met vragen in dezelfde trant als onze inburgeraars krijgen. Door een geel of paars bordje omhoog te houden kon men kiezen tussen een A- en een B- antwoord. Helaas viel ik buiten de prijzen ( een zwart OBA – T-shirt met de tekst: ‘Lezen is SEXY’) door een vraag of een bepaald soort deurklopper te vinden was in de ene, of in de andere Marokkaanse stad met onuitsprekelijke namen waar ik nog nooit van had gehoord. Dat maakte wel even de frustratie van onze cursisten zeer invoelbaar. Van de plusminus 125 bezoekers waren er maar 4 met alle 25 vragen goed!

Verder nieuws is dat er een programmering komt voor NT2 docenten, met o.a. presentaties van uitgeverijen, en een programmering voor cursisten. Deze programmeringen worden nog bekend gemaakt via de digitale nieuwsbrief. Dus houdt die in de gaten.

Eigenlijk ging ik naar de presentatie met een vraag in mijn hoofd, en ik weet dat ik niet de enige ben:
“Waar is toch al dat materiaal voor docenten gebleven???”
Die vraag werd tussen neus en lippen door beantwoord door Tine de Lange, die opmerkte te weten dat die verdwijning een “pijnpunt voor docenten” was, maar dat er wel degelijk ook weer een docentenkast komt bij het NL plein in de centrale vestiging.
Overigens maakt men onderscheid tussen NL pleinen en NL punten, al naar gelang de grootte van de desbetreffende OBA.

Jullie razende reporter,

Margreet Sluys.

vrijdag 22 februari 2008

Insj’Allah

Religie is een onderwerp dat vaak aan bod komt tijdens de lessen.
Onlangs wilde iemand weten hoe het in het Nederlands heet: “als je dood bent en God weet nog niet of je moet naar paradijs of hel. Als jij spijt hebt, mag jij naar paradijs. Als jij niet spijt hebt, dan hel.”
Ik had nooit gedacht dat ik de woorden “voorgeborchte” en “vagevuur”nog eens op een schoolbord zou schrijven.
“Wat ik niet begrijp” zegt Zarah op een dag, “is dat jullie zeggen: God is drie. Wij zeggen: God is één.”
Oké, denk ik. Kolfje naar mijn hand. En teken een driehoek op het bord.
“Hoeveel figuren zie je hier staan?” vraag ik.
“Drie lijnen”, zegt Naima. Een slimmerik.
“Hoeveel driehoeken?” Ik zal haar krijgen.
“Tja, eentje,” moet ze toegeven.
Voor de volledigheid schrijf ik de woorden God, Jezus Christus en Heilige Geest bij de punten.

Een andere keer laat ik ze een schrijfopdracht maken over de toekomst. “Hoe denk je dat de wereld er over honderd jaar uitziet?” Het leek me een leuke uitdagende opdracht, waarbij ze hun fantasie de vrije loop kunnen laten. Zonder die ingewikkelde verleden tijd. En met vliegende auto’s tegen het fileprobleem. Een medicijn tegen kanker. En hopelijk meer eenheid op politiek en religieus gebied.
De opdracht stuit echter op weerstand. “Hoe kunnen we nou weten hoe de wereld er dan uitziet?” zegt de meest mondige leerling. “Wij geloven dat het allemaal in Gods hand is.”
“Je kunt het ook niet weten,” zeg ik. “Gebruik je fantasie. Hoe zou je willen dat de wereld er dan uitziet?”
Verbouwereerd kijken ze elkaar aan.
“Dan nog” zegt Bouchra weer, “Wij kunnen wel zo veel willen, maar God beslist of het gebeurt of niet. Dit is echt een heel moeilijke opdracht voor ons. Ik kan me toch niet voorstellen wat God wil?”
Uiteindelijk geef ik een alternatieve opdracht, zodat ze kunnen kiezen. Ze kiezen allemaal voor de alternatieve opdracht.

vrijdag 15 februari 2008

geven met een goed hart

Soms wilde ik dat ik Arabisch sprak; de vrouwen die ik lesgeef spreken soms zinnen uit die me doen vermoeden dat het vol zit met prachtige uitdrukkingen.
Toen ik eens een videorecorder met tv-toestel wilde lenen bij Rik, de conciërge van de school waarin mijn lessen plaatsvinden, stuitte dat op enige weerstand. “Kan jouw bedrijf dat niet voor je aanschaffen,” bromde hij. Alsof mijn bedrijf dit soort apparatuur laat aanrukken voor die drie lessen per jaar dat ik een video wens te gebruiken. Maar hij wees een apparaat aan dat op een verrijdbare tafel in de gang stond: die kon ik meenemen.
Terug in de klas met de gewenste spullen, sloot ik een en ander naar behoren aan en duwde de videocassette erin. Een luide klik klonk, en het apparaat leek een eigen wil ontwikkeld te hebben: in plaats van het gevraagde af te spelen, kwam de video klik – ratel naar buiten, en klik - ratel werd hij weer naar binnen getrokken. Dat ging zo een poosje door en drukken op knopjes hielp er niets aan. De enige manier om de video er weer uit te halen, was door de stekker uit het apparaat te trekken. De klep zat nu in het apparaat en het kostte enige moeite om die weer op zijn plek te krijgen.
“Heb ik het nu stuk gemaakt?” vroeg ik me hardop af.
“Nee, het was al stuk, het is een oud apparaat”, zei Fatima.
“Het komt omdat Rik het gaf met een slecht hart”, wist Aïsha.
Het voelt als waar, wat ze zegt. De Arabische uitdrukking: “iets met een goed hart geven” vertaalde ik voor ze met “vanuit je hart geven” . Maar ik houd van de nuance die Aïsha’s uitdrukking eraan gaf.

maandag 11 februari 2008

taalles in de kerk

Het zal u niet ontgaan zijn dat de Nederlandse taal onlangs is verrijkt met een nieuw woord, dat zowel letterlijk als ironisch gebruikt kan worden. Ik heb het natuurlijk over het prachtwoord: Prachtwijk.
Een van de cursussen die ik geef, vindt plaats in een dergelijke prachtwijk, en tijdens zo’n 3 uur taalklas komt dat woord dan ook opvallend vaak – letterlijk en ironisch - langs in mijn hoofd.
Om kwart voor 9 maak ik de deur open van de pastorie waar mijn werkgever een zaaltje heeft gehuurd voor de taallessen. De kerk en bijbehorende pastorie zijn monumentaal oud en voorzien van een tuin voor en een tuin achter, die goed onderhouden worden door vrijwilligers. Omdat ik vroeg ben, neem ik even plaats in de serre om naar de merels in de boom te kijken: Prachtwijk.
De koster komt binnen en vraagt me, of ik wel even kijk wie er voor de deur staat als er zo wordt aangebeld. Er zit voor dit doel een klein raampje in de deur, dat open kan, zodat je bezoekers te woord kunt staan voordat je ze binnenlaat. Onlangs is er iemand naar binnen gekomen die stennis begon te schoppen en in kennelijke staat verkeerde: Prachtwijk.
Verspreid over het eerste half uur komen de cursisten binnendruppelen. Analfabeten en hoger opgeleiden bij elkaar, omdat het eigenlijk twee samengevoegde groepen zijn. Als iedereen er is, vertel ik dat de uren voor sommige cursisten “op” zijn. Ze hoeven niet meer te komen, en ook geen presentielijsten meer te tekenen. Maar als ze willen, kunnen ze blijven komen tot de uren voor alle cursisten op zijn. Ze zijn het er allemaal over eens, dat iedereen gewoon moet blijven komen. Om meer Nederlands te leren en gezellig samen koffie te drinken in de pauze. Prachtwijk.
In de pauze spreek ik op de gang een Amerikaanse cursiste die eigenlijk bijna alleen maar Engels spreekt. Het is in deze stad ook moeilijk om de gewoonte te doorbreken van de autochtonen, om meteen maar over te schakelen op het Engels als er een vermoeden is dat de gesprekspartner Engelstalig van origine is. We spreken over het mooie gebouw, en ook over de pastoor van de gemeente, die mij een vriendelijke man lijkt. Ietwat venijnig merkt de vrouw op, dat die pastoor anders wél de persoon was “die de moslims de kerk binnen heeft gehaald – en we weten allemaal wat daarvan komt”. Prachtwijk.
Een paar weken later is dezelfde cursiste ziek. Ik besluit, tijdens de les te bellen met haar man om te horen hoe het met haar is. Hij spreekt alleen Engels, en dat doe ik dus ook nu, en ik weet dat de aanwezige cursisten dat allemaal niet verstaan. Maar alle ogen zijn op me gericht terwijl ik hem spreek, zo leven ze mee met haar gezondheidsproblemen. Prachtwijk.
Bij mijn vertrek uit de kerk, na afloop van de les, loop ik de pastoor tegen het lijf. Hij stelt zich voor en informeert naar het verloop van de cursus en het welzijn van de cursisten. Ik vertel dat ik soms wat moeite heb met een cursiste die zich – achter hun rug om – laatdunkend uitlaat over moslims. “Des te groter voor ons de uitdaging om te laten zien hoe het ook kan”, merkt hij op met een twinkeling in zijn ogen.
Prachtwijk.

vrijdag 8 februari 2008

Fatima en Ingmar


Ik heb een nieuwe groep, deze week. Allemaal vrouwen op een zogenaamd PAVEM – traject. “Het Máxima – traject” , wordt het in de wandelgangen genoemd. Dit houdt in, dat deze vrouwen recht hebben op taal – en inburgeringslessen voor een periode tot 3 jaar. Dan moeten ze inburgeringsexamen doen.
Ik houd wat individuele kennismakingsgesprekjes in de pauze.

“Fatima, hoi. Jij hebt eerder al taalles gehad?”
“Ja, hier. Zes jaar.”
“En heb je kinderen, Fatima?”
“Ja, vijf kinderen. Goede kinderen, allemaal school, werk, gezond.”
“Ah, dat is fijn. En hoe oud ben je?”
“Zesenvijftig, nu ben ik een oude vrouw.”
“Nou, dat vind ik nog niet zo oud hoor. En je ziet er nog jong uit! Maar kijk je wel eens naar Nederlandse televisieprogramma’s? Of lees je wel eens iets in het Nederlands?”
“Nee, nooit.”
Fatima woont al veertig jaar in Nederland en spreekt nooit een Nederlander, behalve de buurvrouw: “Hallo buurvrouw, alles goed? Ja? Doei!” De taallessen die ze heeft gehad zijn al weer zes jaar geleden en volgens haar is ze “alles weer vergeten”. Ze spreekt in zinnen van ten hoogste drie woorden en ik vermoed dat een ongeoefend oor moeite heeft om haar te begrijpen.

Tijdens de eerste les is gebleken dat Fatima leest op het tempo en niveau van een kind in, pakweg, groep vier. (Deze leesniveaus zijn niet echt te vergelijken: probeert u maar eens een taal te lezen die u niet spreekt!) Ik begin me af te vragen waarom Fatima weer op les moet. En of dat wel zinvol is. Kennelijk functioneert ze prima in de Nederlandse maatschappij, ze is gezond en lijkt wel gelukkig. Het punt met die nieuwe inburgeringswet is dat vrouwen als Fatima in het verleden nooit een niveau hebben behaald dat nu vereist is. Maar de vraag is of ze het ooit zal halen. Fatima behoort tot een groep die “moeilijk leerbaar” wordt genoemd: Als kind nooit naar school geweest, geen studievaardigheden, weinig motivatie, want al zo lang hier dat ze allang andere manieren heeft gevonden om te functioneren. Waarschijnlijk met behulp van man, kinderen en schoonfamilie in de papieren jungle die Nederland is. Geen contact met Nederlanders op bijvoorbeeld werk of een opleiding. Wat de Nederlandse maatschappij van haar verlangt – dat ze zich emancipeert en de arbeidsmarkt op gaat – is in mijn ogen een onmogelijkheid.

In mijn lunchpauze eet ik een broodje in een Zweedse lunchroom op de markt, waar een joviale Zweed de scepter zwaait. Hij heeft een licht accent en ik betrap hem op niet één fout terwijl hij in het Nederlands telefoneert.
“Mag ik u vragen hoe lang u al in Nederland bent? Uw Nederlands is vlekkeloos!”
“Twaalf jaar al, en vlekkeloos? Nee hoor, ik maak heel veel fouten.” Hij pakt de menukaart. “Bijvoorbeeld hier: iemand vertelde mij, dat het niet ‘Zweeds gehaktballetjes’ is, maar ‘Zweedse gehaktballetjes’. Dat begrijp ik nog niet, waarom verschijnt en verdwijnt die e in de bijvoeglijk naamwoorden?”
Ik krijg visioenen van mezelf terwijl ik Fatima probeer uit te leggen wat een bijvoeglijk naamwoord is.
“Nederlands is ook niet gemakkelijk”, herneemt hij. “Al die spreekwoorden en uitdrukkingen! Er staan er zo vier op één krantenpagina!”
Nu heb ik een visioen van Fatima achter een krant, spreekwoorden tellend.
“We hebben hier veel water, dus onze uitdrukkingen staan bol van het water: varen, bruggen, zwemmen, zinken, eb en vloed…..”, begin ik te doceren.
“Ja, dat, en ook hoeken,” zegt hij.
“Hoeken?” vraag ik. Dat was me nog nooit opgevallen.
“Ja. Nederlanders hebben iets met hoeken. Voorbeeld. De Telegraaf, daar kunnen ze niet schrijven. Dat verbergen ze achter uitdrukkingen. In een artikel stond: Hij liet haar alle hoeken van de kamer zien. En in de volgende alinea werd hij door het openbaar ministerie in de gevangenis gezet! Kijk,” zegt hij, en pakt me bij mijn mouw. Hij wijst op een hoek van de lunchroom. “Zie je die hoek?”
“Ja,” zeg ik braaf. Met deze Zweed valt niet te spotten.
“En zie je die hoek?”
Ik begin te lachen.
“Hij wilde haar horizonten verbreden! Hij liet haar alle hoeken zien! Het was een aardige man! En de politie kwam hem van zijn bed lichten!”

Als mijn thee op is, vraag ik hem hoe hij Nederlands heeft geleerd. Heeft hij op les gezeten?
“Nee, ik ben begonnen met Asterix en Obelix”, vertelt hij. “Eerst met de Zweedse versie erbij. En later, twee kranten op een dag. Maar ik had nog problemen met de uitspraak. Dan ging ik naar het Centraal Station en vroeg aan mensen, of ik ze een stukje mocht voorlezen. En dan moesten zij me corrigeren. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: “zo spreken we dat hier niet uit, hoor! Zo praten ze in Rotterdam misschien, maar hier niet!” Eerlijke mensen, Amsterdammers. En later werkte ik in een sjiek restaurant hier in de stad, daar heb ik het echt goed geleerd.”


Heeft dat restaurant misschien een vacature voor Fatima?