Jarig
Gisteren was ik jarig. Ik weet niet wat ik vorige jaren deed, toen heb ik het waarschijnlijk stil gehouden. Dit jaar kwam het onderwerp “jarig zijn“ vorige week al aan de orde in de lesmethode, en elke cursist moest op een kalender alle verjaarsdata van de groep invullen. Zo kwam ik er natuurlijk niet meer onderuit!
Ik had soesjes en tompoesjes meegenomen en ben voor het eerst van mijn leven in het Arabisch en in het Turks toegezongen.
Voor de liefhebbers, Happy Birthday in fonetisch – Arabisch:
Sana helua yagamil (2 x)
Sana helua, sana helua
Sana helua yagamil
En in het Turks:
Iyiki dogdun Margreet (2x)
Iyiki dogdun, iyiki dogdun
Iyiki dogdun Margreet
Op de g moet je nog een soort liggend half maantje denken. Het klinkt als : iki dodoen.
Nu ben ik 44. Ik vind het een mooi getal. Op naar de 88.
woensdag 27 augustus 2008
woensdag 13 augustus 2008
lopen, liep, gelopen
Lopen, liep, gelopen
Onderweg naar de eerste les na de vakantie. Ik wil graag een taalronde doen over de vakantie, maar wat neem ik als thema?
Een taalronde is een werkwijze die is ontwikkeld door de Stichting Taalvorming. Het is een manier om iedereen in de groep én aan het woord te laten, én te laten schrijven over iets waar ze echt iets over wíllen vertellen. De kunst is om het onderwerp toe te spitsen op iets kleins, iets specifieks.
Ik kom met mijn fiets voor een stoplicht te staan. Op de straat ligt een héél klein gymschoentje. Zo klein, zelfs een baby zou er niet in passen. Ik raap het op. Er zit een ringetje aan, dat een beetje open gebogen is. Het komt vast van een sleutelbos.
Zo’n sleutelhanger, daar kan ik wel iets mee. Het kan het onderwerp vakantie toespitsen op vragen als: wat voor schoenen draag je als het warm is? Waar staan je schoenen als je ze niet aan hebt? Welke maat heb je? Waar heb je gelopen in je vakantie?
Ik doe een lang kringgesprek, waarin allerlei verhalen loskomen over plaatsen waar de cursisten hadden gelopen. Aan het eind hebben we een paar nieuwe woorden geleerd. Zacht zand, scherpe steentjes, strand, zee, het Atomium, brug, tussen, af, op, naar en nog veel meer voorzetsels. Met die voorzetsels kan ik de volgende les vullen. Deze keer besteed ik aandacht aan de verschillende vormen van het werkwoord “lopen”.
Rabia kent nog bijna geen woorden in het Nederlands. Geholpen door haar buurvrouw, vertelt ze dat ze de zee heeft gezien. En: “water komt omhoog uit de grond”. Zou ze een heuse geiser bedoelen? Zijn die er in Marokko? Ik teken op het bord een spuitende geiser zoals ik die ken uit Nieuw-Zeeland. Ja hoor, dat is wat ze bedoelt. Alleen is de druk er af in Marokko, want het spuit niet meer zoals vroeger, het borrelt alleen nog wat.
Toch heeft de zee kennelijk meer indruk op haar gemaakt, want ze schrijft op:
“Ik loop op het zand. Ik kijk naar de zee.”
Jamila is bejaard. Ze heeft veel moeite met het leren van de taal, maar de lessen zijn voor haar een uitje. Ze komt graag, vindt het gezellig. Ze is ook altijd als eerste in het lokaal. Toen ze vanochtend haar tas op tafel zette na binnenkomst, verzuchtte ze dan ook: “Thuis!”.
Ze heeft niet gelopen in de vakantie, zegt ze. “Liggen, bed. Rug…. pijn! Knieën….. pijn!”
“Maar je hebt in huis toch wel gelopen?”, probeer ik nog. “Van je bed naar de WC en terug?”
Het ontlokt haar een kleine glimlach.
“Nu dood,” zegt ze dan.
Heb ik dat goed verstaan?
“Wil je dood? Ga je dood?” Het verschil ontgaat haar.
“Pijn. Moe. Oud. Klaar. Dood.”
Dat is duidelijke taal. Maar wat moet ik nu zeggen?
“Goed, Jamila, maar leer je eerst nog een beetje Nederlands met ons? Dan neem je dat mee naar de hemel, oké?”
De hele klas knikt haar begrijpend toe. De groep verandert van een verzameling individuen in een eenheid.
Jamila loopt in Nederland. Jarenlang liep ze door Somalië. Ze heeft genoeg gelopen.
Tijdens een taalronde gebeurt er altijd iets onverwachts…………….
Kijk op http://www.taalvorming.nl/
Onderweg naar de eerste les na de vakantie. Ik wil graag een taalronde doen over de vakantie, maar wat neem ik als thema?
Een taalronde is een werkwijze die is ontwikkeld door de Stichting Taalvorming. Het is een manier om iedereen in de groep én aan het woord te laten, én te laten schrijven over iets waar ze echt iets over wíllen vertellen. De kunst is om het onderwerp toe te spitsen op iets kleins, iets specifieks.
Ik kom met mijn fiets voor een stoplicht te staan. Op de straat ligt een héél klein gymschoentje. Zo klein, zelfs een baby zou er niet in passen. Ik raap het op. Er zit een ringetje aan, dat een beetje open gebogen is. Het komt vast van een sleutelbos.
Zo’n sleutelhanger, daar kan ik wel iets mee. Het kan het onderwerp vakantie toespitsen op vragen als: wat voor schoenen draag je als het warm is? Waar staan je schoenen als je ze niet aan hebt? Welke maat heb je? Waar heb je gelopen in je vakantie?
Ik doe een lang kringgesprek, waarin allerlei verhalen loskomen over plaatsen waar de cursisten hadden gelopen. Aan het eind hebben we een paar nieuwe woorden geleerd. Zacht zand, scherpe steentjes, strand, zee, het Atomium, brug, tussen, af, op, naar en nog veel meer voorzetsels. Met die voorzetsels kan ik de volgende les vullen. Deze keer besteed ik aandacht aan de verschillende vormen van het werkwoord “lopen”.
Rabia kent nog bijna geen woorden in het Nederlands. Geholpen door haar buurvrouw, vertelt ze dat ze de zee heeft gezien. En: “water komt omhoog uit de grond”. Zou ze een heuse geiser bedoelen? Zijn die er in Marokko? Ik teken op het bord een spuitende geiser zoals ik die ken uit Nieuw-Zeeland. Ja hoor, dat is wat ze bedoelt. Alleen is de druk er af in Marokko, want het spuit niet meer zoals vroeger, het borrelt alleen nog wat.
Toch heeft de zee kennelijk meer indruk op haar gemaakt, want ze schrijft op:
“Ik loop op het zand. Ik kijk naar de zee.”
Jamila is bejaard. Ze heeft veel moeite met het leren van de taal, maar de lessen zijn voor haar een uitje. Ze komt graag, vindt het gezellig. Ze is ook altijd als eerste in het lokaal. Toen ze vanochtend haar tas op tafel zette na binnenkomst, verzuchtte ze dan ook: “Thuis!”.
Ze heeft niet gelopen in de vakantie, zegt ze. “Liggen, bed. Rug…. pijn! Knieën….. pijn!”
“Maar je hebt in huis toch wel gelopen?”, probeer ik nog. “Van je bed naar de WC en terug?”
Het ontlokt haar een kleine glimlach.
“Nu dood,” zegt ze dan.
Heb ik dat goed verstaan?
“Wil je dood? Ga je dood?” Het verschil ontgaat haar.
“Pijn. Moe. Oud. Klaar. Dood.”
Dat is duidelijke taal. Maar wat moet ik nu zeggen?
“Goed, Jamila, maar leer je eerst nog een beetje Nederlands met ons? Dan neem je dat mee naar de hemel, oké?”
De hele klas knikt haar begrijpend toe. De groep verandert van een verzameling individuen in een eenheid.
Jamila loopt in Nederland. Jarenlang liep ze door Somalië. Ze heeft genoeg gelopen.
Tijdens een taalronde gebeurt er altijd iets onverwachts…………….
Kijk op http://www.taalvorming.nl/
Labels:
de dood,
taalronde,
taalvorming,
vakantieverhalen
Abonneren op:
Posts (Atom)