vrijdag 12 februari 2021

 

Je bent zo
mooi
anders
dan ik,

natuurlijk
niet meer of
minder
maar

zo mooi
anders,

ik zou je
nooit
anders dan anders willen.

-Hans Andreus


Een paar voorvallen van deze week:

In de breakout room zit ik even alleen met Öser, een Tibetaanse vrouw. Ze is veel afwezig geweest en ze verontschuldigt zich daarvoor. Maar ik weet dat ze alleenstaand moeder is van een kind met een beperking, en ze zijn allebei veel ziek geweest, de afgelopen tijd. Dus ik stel haar gerust en zeg dat ik blij ben dat ze weer meedoet. Ze vertelt me dat haar Boeddhistische meditatie haar er doorheen sleept. Zonder dat zou ze niet kunnen, zegt ze. Ik kijk haar aan door het scherm en zeg: Dan heeft je zoon de juiste moeder uitgekozen om bij te incarneren. Ze pinkt een traantje weg als we het gesprek oppakken waar we voor zitten: het vinden van een cv dat past bij de competenties die we zojuist in de groep hebben benoemd.

Rosa uit Brazilië worstelt met woorden. ADHD, Portugees, Engels, Duits en Nederlands buitelen in haar hoofd door elkaar heen als ze probeert iets te zeggen. Af en toen slaat ze haar handen voor het gezicht als ze er weer niet uit komt. 

We hebben eerder bij een PowerPoint presentatie al haar tekenkunst kunnen bewonderen. Technische tekeningen geven een feilloze weergave en haar artistieke werk is vol detail en humor.

We proberen te komen tot een korte presentatie, een elevator pitch, om iemand te kunnen overtuigen dat je geknipt bent voor een baan. Er moet er een lopend verhaal komen. Ik heb met haar geoefend op de vragen, haar een mogelijke tekst laten zien aan de hand van haar antwoorden. Kortom, ik stop er woorden in, en ik verwacht dat die er ook weer uit komen, dat is nou eenmaal mijn vak. Maar Rosa denkt niet in woorden, ze is een beelddenker!

Als ze aan de beurt is, zegt ze: Ik ben Rosa, en dit is mijn portfolio - en ze laat ons een grote map zien. 

Natuurlijk lachen we allemaal, maar wat een verademing eigenlijk voor haar en een eventuele gesprekspartner, die ook alleen maar geïnteresseerd is in de inhoud van die map. Ik prijs haar dan ook om haar korte maar effectieve pitch, volgens mij moet ze het precies zo doen en niet anders!

woensdag 11 september 2019

oh was ik maar op Zanzibar, Zanzibar aan zee

Met mijn  nieuwe groep kijk ik naar het Jeugdjournaal. Het gaat over een mevrouw met dezelfde naam als ik. Deze Ineke heeft haar huis appeltjesgroen geverfd, en de rechter moet eraan te pas komen om te beslissen of dat mag in een straat met witte huizen. Het lijkt mij een typisch Nederlands probleem.
Ik vind eigenlijk dat alles moet mogen, als het een koophuis is. Maar al pratend komen we tot de conclusie dat er toch grenzen zijn. Zwart met doodskoppen? Groen met paarse strepen en rode stippen? Mijn cursisten zijn nog behoudender dan ik.
Rami vertelt over een dorp in Marokko, waar iedereen verplicht is zijn huis blauw of wit te schilderen. Ik Google op afbeeldingen : Chefchaouen, schitterend! ik wil er wel heen op vakantie, zeg ik. Ben je daar geboren?
- Nee, in Nador, antwoordt Rami.
Ik zoek plaatjes van Nador. Ook mooi, zeggen we allemaal als we het havenstadje zien.
En jij, Tonio?

- Mombasa, zegt Tonio.
Wow, nog mooier! Daar gaan we heen op vakantie, ja toch?

Buiten regent het intussen en de lucht is grijs.

En jij, Isac?
- Zanzibar, antwoordt hij. Ik begin al te lachen voordat ik de plaatjes zie. Als we daar op vakantie gaan, willen we nooit meer terug.
Ik klik naar Zanzibar en krijg acuut de slappe lach. Hagelwitte stranden en een azuren zee onder een strakblauwe hemel.
Isac! Wat doe je hier?!
Ze moeten allemaal lachen.
- Die plek is voor toeristen. Zanzibar is klein en er is geen werk.



De laatste is Aron. Wat is je geboorteplaats, Aron?
- Nairobi.
Behoedzaam klik ik naar Nairobi.
- Veel mensen, zegt Aron.
Nairobi is een wereldstad met wolkenkrabbers en files.

Dan klik ik nog even naar Egmond- Binnen, waar ik deels opgroeide. Zelfs het huis waar ik woonde staat op een Funda foto. Het is een gezellig dorpje aan zee.

Maar het is geen Zanzibar.

https://www.youtube.com/watch?reload=9&v=swi_EDXTIOI

donderdag 11 juli 2013

Beveiliging is beter dan soep

Er zijn nu 130 bewoners in de vluchtflat.
De lessen zijn na enkele weken nu redelijk op gang, er is een vaste kern van ongeveer 5 mensen die ik elke week zie en wat mensen die er als los zand omheen hangen. Ook is er elke week wel iemand die zegt: Geeft u hier taalles, wat leuk, ik kom ook volgende week! Niet, dat dat dan altijd gebeurt, maar er is een markt voor wat ik probeer te doen.

Het is langzaamaan iets minder vies aan het worden. Er is ook minder troep. Helaas is er ook minder eten.
Er zitten nu consequent 2 beveiligers beneden en de ruimte waar het eten staat is op slot. Alleen de beveiligers hebben de sleutel. De laatste keren dat ik er was stonden er alleen nog zakken en zakken met brood - veelal pide (Turks brood) en stokbrood. Vanochtend kwam er een man van een kinderboerderij het oude brood ophalen. Dat is dan ook echt oud, beschimmeld.

Toen ik vanochtend arriveerde, leek iedereen nog in diepe rust. De meesten doen mee met de ramadan. Omdat ze voor voedsel afhankelijk zijn van de - door moslims gerunde -winkels en de moskee op het aangrenzende plein, was het voedsel de vorige avond pas heel laat gekomen. Voor de christenen onder de bewoners natuurlijk ook lastig.
Ik vroeg Thomas, die wel wakker was, waar nou echt behoefte aan was. Kaas, zei hij. En dan graag in plakken, niet aan een stuk, in verband met de distributie. Ik haalde voor een tientje kaasplakken, leve de Liddl daar op het plein, bij de AH is het bijna 2 x zo duur. Ook nog maar 2 bakken druiven - fruit is goed voor een mens. Voor mijn portemonnee is het maar goed dat ik er niet elke dag kom.
Thomas vertelde dat er gisteren wel brood was gekomen maar geen soep. Vervelend natuurlijk. Maar hij was erg blij met de beveiligers. Die hielpen om dreigende conflicten te sussen, anders draait hij daar veel voor op. Hij maakte een gebaar van diep zuchten. "Opluchting?" zei ik. Ja, dat was het woord dat hij zocht. Beveiliging is beter dan soep, zei hij nog.

Een stuk of 8 leergierigen hebben zich om de lage tafel verzameld aan het eind van de les. Het schrift van Alice is zoek en ik heb geen nieuwe meer. Ik geef haar losse blaadjes en een map.
Een luidruchtige man is erbij komen zitten. De pakken kaas worden door Thomas aan de aanwezigen gegeven met het verzoek om eerlijk te delen. De luidruchtige man pakt ook een pakje. Dat schiet Thomas in het verkeerde keelgat. Hij legt me later uit dat deze man niet in de vluchtflat woont; hij woont bij zijn vriendin even verderop. Bovendien is het dezelfde man die gisteren het pas door Thomas schoongemaakte toilet weer vies maakte, door er een emmer vuil water in leeg te gooien, wat nogal gespetter gaf. Ze bijten elkaar in het Arabisch onvriendelijkheden toe. De andere aanwezigen proberen de boel te sussen, roepen dat de luidruchtige man moet stoppen. Die gooit boos zijn schrift neer en maakt aanstalten om weg te lopen, maar blijft nog even staan schreeuwen. Ik prijs me gelukkig met mijn 1.80 meter als ik voor hem ga staan en zeg dat ik in mijn klas geen geschreeuw tolereer. Hij bindt in en vertrekt. Ik blijf hem achtervolgen tot hij de deur door is.

Als je je geroepen voelt om iets te doen voor deze mensen: er is af en toe behoefte aan mensen die een wasje willen draaien. Als je in de buurt woont van de Jan Tooropstraat zou je een bewoner (of meer) kunnen aanbieden dat er bij jou gedoucht kan worden. Breng kaas, fruit of groente - maar niet 10 rauwe bloemkolen, zoals vorige week gebeurde, want er kan ter plekke niet gekookt worden. Als je een kist tomaten, komkommers of bananen over hebt, denk ik dat die wel op komen. Je kunt er ook heen om te informeren wat er die dag nodig is. De beveiligers zijn aardig en aanspreekbaar.


vrijdag 21 juni 2013

donderdag 20 juni 2013

goed nieuws en slecht nieuws

Het is de derde week dat ik binnenloop in wat nu een vluchtkantoor is geworden. Nu is er wel iets van de grond gekomen, gelukkig!
Bij binnenkomst word ik begroet door een meneer die me vraagt wat ik kom doen. Na mijn uitleg wijst hij op een grote foto in de hal van een van de voormalige Vluchtkerk- bewoners. "Maar vandaag is zijn begrafenis," zegt hij. Er staan bossen bloemen voor de foto en de aankondiging van zijn overlijden en de tijd van de uitvaart: vanmiddag om 3 uur. Jean-Paul heette hij.
Na dit trieste nieuws loop ik toch maar naar boven. Onderweg kom ik veel bedrukte gezichten tegen, en een man in een priestergewaad. Op de beletage gelukkig niet de enorme hoeveelheden brood en voedselresten zoals de vorige keer. Op de website www.vluchtkerk.nl staat ook nog steeds een oproep om maaltijden te brengen. Lastig te coordineren natuurlijk, om niet de ene dag teveel en de andere dag te weinig te hebben. Ik mis er toch al een centraal aanspreekpunt, maar begrijp dat dat lastig is. Gelukkig ook weet ik nu de website te vinden! ik bleef maar zoeken op vlluchtelingen, amsterdam, enzo. Via de site heb ik nu dan ook contact gelegd met hopelijk iemand die me op de hoogte kan houden
Op de eerste verdieping tref ik mijn contactpersoon, Thomas, aan met 2 willige cursisten. Ik krijg thee en pak mijn whiteboard erbij. Ik begin maar gewoon met wat zinnetjes: mijn naam is Ineke, wat is jouw naam? Waar kom je vandaan? Ik kom uit..... Je eigen naam spellen in het Nederlands (dus de H geen asj noemen of eetsj) lijkt me ook belangrijk.
Al snel voegen zich nog wat mannen en een vrouw zich bij mijn klasje. Af en toe steekt iemand een sigaret op, gelukkig staat het raam open. Af en toe loopt er iemand weg, af en toe komt er iemand bij.
Ik leg het verschil uit tussen formele en informele aanspreekvormen: u, goedemorgen, meneer en mevrouw versus hoi, doei, jij en voornamen.
Dan nog wat getallen, en vragen naar geboortedatum en -plaats.
Eigenlijk is de aandacht na een uurtje wel op. Mensen beginnen op te staan. Er komt nog een Nederlandse vrouw bij zitten die zegt, iedereen te kennen; ze komt hier een paar keer per week. Ik sluit af en beloof, de volgende week weer te komen.
Het is improviseren , met een bank en losse stoelen rond een salontafel. Gelukkig had ik zelf pennen en schriften meegenomen. Ik hoop dat de schriften volgende week nog te vinden zijn. En de cursisten.....
Onderweg naar beneden kom ik een psycholoog tegen, die een poule aan het opstellen is met anderen, om 3 keer per week langs te komen voor spreekuur. En een kunstenares met een sjoelbak.
Kortom, veel goede wil vanuit de omgeving.
Helaas is er nog altijd geen douche. Sommigen douchen nu toch bij de moskee aan de overkant van het plein, heb ik begrepen. Ik denk telkens maar aan de vrouwen, die er wonen. Onderweg naar huis kom ik nog langs Nisa4Nisa, waar ik onlangs een taalles heb gegeven als invaller. Ik besluit even binnen te lopen om de multi-inzetbare Fatima te vragen of zij raad weet. Ze weet inderdaad nog wel handige mannen, en met geld is misschien ook wel iets te regelen.
Maar eerst wacht ik morgen af, dan wordt bekend of de vluchtelingen in het kantoor kunnen blijven.

Wordt vervolgd........


zaterdag 15 juni 2013

Vluchtelingen

Vorige week donderdag zou ik dan eindelijk beginnen met een les Nederlands aan een groep vluchtelingen in het kantoorgebouw aan de Jan Tooropstraat. Ik was er al drie keer geweest om het te organiseren en dacht dat, door te hebben gesproken met een van de coördinatoren  het allemaal georganiseerd zou zijn: hij zou het bespreken met de andere coördinatoren  en er zou om 10 uur een gemotiveerd groepje mensen zitten. Niet alleen mannen alstublieft? En niet alleen uit uw land? Ja hoor, zou in orde komen.

Nou ja, helmaal naïef ben ik natuurlijk niet, en ik kan me ook voorstellen dat als je uitgeprocedeerd bent, en dus illegaal...... en vervolgens een paar maanden in een tentenkamp hebt geslapen..... en vervolgens een paar maanden in een kerk..... dat je hoofd niet helemaal staat naar organiseren en Nederlands leren.

Het gebouw is een oud kantoorgebouw, met enkel glas en stukke plafonds. Ik weet dat het er in de zomer erg warm en benauwd wordt, en in de winter valt er niet tegenop te stoken. Ik weet dat, omdat ik er zelf gewerkt heb. Als taaldocent, voor wat toen nog Prins & Heida heette. Ik weet ook dat er toen al gelazer was met de waterdruk, te weinig toiletten. En echt geen douche.

Er is inmiddels geregeld dat de bewoners kunnen douchen: 2 kilometer verderop, richting binnenstad. In de hal hangen daar aankondigingen van: in 3 talen staan tijden en adres vermeld van het badhuis dat nog dienst doet in de stad. Aan iemand die rondloopt vraag ik, waar mijn contactpersoon is? Boven, zegt hij, staand in de vuile hal.
Op de tussenverdieping is een kamer met voedsel. Ik loop naar binnen. Het stinkt niet, maar wat een bende. Het meeste voedsel staat daar open en bloot; rijst en groente in bakken, soep in twee pannen. Brood, vuilniszakken vol.
Ik loop door naar boven, en loop langs diverse kamers. Sommige zijn afgesloten met een deur, andere met een provisorisch gordijn. Het ruikt overal naar het vuile toilet op de begane grond. Ook is er een toilet met een plafond dat naar beneden is gekomen. Ik vraag me af waarom niemand op het idee komt om dat schoon te maken. Eenmaal boven vraag nog eens iemand. Kamer 1, zegt die. Kamer 1 is dicht. Ik ga dus echt niet aankloppen bij een slaapkamer van Afrikaanse mannen.

Ik besluit maar even te gaan zitten wachten op een stoel in de hal op de eerste verdieping. Daar stond vroeger het bureau van de receptioniste. Nu staat er een provisorische zithoek. Er ligt een jonge man op de bank, me slaperig aan te kijken. Of is hij stoned? voor hem op tafel liggen filters, tipjes, plastic zakjes. Ik ga zitten op een van de stoelen. Goeiemorgen, zeg ik. Hij groet me terug. Hij heeft een heel brutale blik in zijn ogen. Hij gaat rechtop zitten en veegt de filters van tafel. Dat is niet van mij, hoor, zegt hij in bijna vlekkeloos Nederlands. Ik geloof hem niet meteen. Je kijkt anders wel stoned uit je ogen, zeg ik. Nee, zegt hij, niet stoned, slaperig. Hij heeft de hele nacht niet geslapen.
We raken in gesprek. Hij woont niet hier, vertelt hij, maar in den Haag in een soortgelijke setting. Ook uitgeprocedeerd. Al 7 jaar in Nederland. Waar leef je van,vraag ik. Hij doet klusjes, gaat waar de wind hem brengt en eet wat hem voor de mond komt. Hij is hier om te proberen, de Den Haag groep en de Amsterdam groep te laten samenwerken. Een politieke vuist maken. Hij heeft al door dat de mensen hier alleen maar willen schreeuwen en demonstreren, maar hij heeft andere plannen: via de pers en de politiek.  Het is een absoluut slimme heldere gozer. Ik vertel hem wat ik kom doen.  Hij gaat op zoek naar mijn contactpersoon, maar die is gaan douchen. Twee kilometer verderop dus. Het enige dat ik nodig heb is een whiteboard en een groepje mensen die iets willen leren, zeg ik. Niet opgeven, zegt hij.

Hij neemt me mee naar de kamer waar het eten staat. Samen verbazen we ons over de zwijnenstal die het daar is. Het wachten is op de ratten, dat zijn we meteen met elkaar eens. Hij weet hier wel een whiteboard te staan. En jawel, er zij er twee. Beide beschreven met permanent marker. Zucht. De ene laat ik, er staat een beginnend schema op voor een schoonmaakrooster . De andere moet een vergissing geweest zijn van een vroegere collega van me, er staan werkwoordsvormen op.

Je kunt dit er wel af krijgen, vertel ik hem. Met water en zeep. Ik ga op zoek naar toiletpapier, maar hij weet al dat dat in het hele pand niet voorhanden is. Dat gebruiken ze niet, zegt hij. Ohja, denk ik -flessen water op de toiletten. Hij graait in een van de voorraadbakken die er staan. Dit is een bak met tampons, maandverband en zelfs Tenaslips (waarschijnlijk geen overbodige luxe als er besneden vrouwen huizen). Hij pakt een van de maandverbanden en begint met water en zeep het whiteboard schoon te poetsen. Ik ga gezellig meedoen. Intussen hoor ik mijn nieuwe vriend uit. We raden elkaars leeftijd (hij is 30, in 1 keer goed! Hij houdt mijn leeftijd heel complimenteus op 42) en elkaars sterrenbeeld. Hoe is hij hier gekomen, vraag ik hem. Drie dagen in zee, zegt hij. Dat verhaal blijft wat vaag, en komt niet helemaal af. Ik begrijp dat hij daar liever niet uitgebreid bij stilstaat, er zijn veel mensen omgekomen bij deze vluchtpoging. Een boot zo groot als deze tafels, wijst hij, met 25 mensen erin.
Een kwartier poetsen later is het bord schoon.
Hij helpt me ook nog met het maken van een aankondigingsposter in drie talen: Nederlands leren, Dutch classes, Apprener Neerlandais, en de dag en tijd erbij voor volgende week. Niet opgeven, zegt hij nog een keer. Hij wil het ook nog wel in het Arabisch en Somalisch eronder zien te krijgen.
We praten ook nog over het bericht in het Parool, dat sommige van de vluchtelingen een deel van hun 225 euro naar de rosse buurt gebracht zouden hebben. Ach ja, wat kunnen ze  er anders mee. Hij haalt zijn schouders erover op. Ik vind die berichtgeving nogal jammer.

 Intussen is mijn contactpersoon gearriveerd. Ik herken hem niet meteen, heb in de drie keer dat ik er geweest ben een beetje te veel mensen de hand geschud.
Wanneer wil je beginnen, vraagt hij. Een uur geleden, zeg ik. Donderdag is morgen toch, vraagt hij. Nee hoor, nu is donderdag. Hij wijst op een jongen die er ook zit. Die moet ook Nederlands leren, zegt hij. Als hij kan lezen en schrijven kan ik beginnen, zeg ik. Volgende week.
Hij biedt me nog thee of koffie aan, maar die hebben mijn jonge vriend en ik al gekregen van een attente dame. Als hij ervoor kan zorgen dat mijn aankondigingsposter komt te hangen waar ik hem wil, en mensen ronselt voor de les, volgende week, dan ben ik allang blij. We nemen afscheid.

Terug beneden in de kamer met het voedsel is mijn jonge vriend bezig twee zware pannen met soep leeg te gooien en weg te brengen. Een Turkse vrouw uit de buurt vertelt dat ze samen met andere vrouwen elke dag twee pannen brengt, die ze koken in hun eigen huizen in de buurt. Elke dag een ander huis. Misschien vandaag iets minder maken, suggereer ik. Zo zonde om zo veel eten weg te gooien. Wel een mooi initiatief. Ik had me al afgevraagd of er geen hulp was gekomen vanuit de moskee waar de bewoners ook heen gaan, aan de andere kant van het plein.

Wordt vervolgd.

donderdag 17 september 2009

De laatste keer over de hoofddoek

Wilders wil weer iets. Hij noemt het kopvoddentaks: belasting op de hoofddoek. Wel 1000 euro per jaar zouden draagsters ervan moeten dokken om de staatskas te spekken! Hij noemt het zelf een doordacht plan, maar hoe wil hij dat controleren? Wonderlijk toch, die man.
Gelukkig werd hij in de kamer en in de landelijke pers weggelachen. Mijn minst favoriete columnist, die man in de Telegraaf, noemde hem zelfs ‘die voddenkop’. Toch een aardige vondst.
Ook mijn – overwegend uit moslima’s bestaande – inburgeringsgroep moest er spontaan en hartelijk om lachen.
“Ook schoenen belasting?”
“Belasting op onze djellaba?”

Later in de les gaat het over verzekeringen, en waar je je allemaal voor kunt verzekeren. WA, je auto, je gezondheid, je inboedel, en zelfs je bril.
Suni, heel gevat: “En hoofddoekverzekering?”

Ik weet iets waar we belasting op zouden moeten heffen.
Humorloze politici.