Presentatie OBA 21/2/2008
Na een woord van welkom door Tine de Lange, hoofd educatieve dienst, volgde de presentatie van de verschillende programma’s die de OBA dit en volgend jaar te bieden heeft voor NT2 cursisten. De inhoud van deze programma’s kun je nalezen in de brochure voor NT 2 docenten van de OBA, maar ik geef een kort overzicht.
Er is in principe één aanbod voor alle 28 vestigingen van de OBA, maar natuurlijk heeft de ene bieb meer Pc’s, boeken etc. dan de andere.
De programma’s vallen uiteen in 4 thema’s:
- kennismaking. 1. algemeen
2. OGO lesprogramma met aan het eind een portfoliobewijs
3. het spel BiebQuiz, waarin de regels van de bieb aan bod komen.
- digitale vaardigheden: - muistraining
- internetintroductie.
- leesbevordering. Dit gaat aan de hand van o.a. de actualiteit: de Start! Krant, het “Netnieuws” op de Taal – Pc.
- Educatieve ondersteuning:
- op de Taal Pc’s het programma “Een goed begin” (de eerste 350 woorden)
- Eerste hulp bij Nederland (KNS) : oefenen met toetsen
- Leren lezen en schrijven: Eigenlijk bedoeld voor de Nederlandstalige analfabeet (denk: Prinses Laurentien) bestaand uit 12 video’s met oefenmateriaal, waarbij cursisten zelfstandig aan het werk gaan en hun eigen vorderingen kunnen bijhouden.
- De slimme Nieuwslezer (ALANE)
Dit onderdeel werd verder uitgebreid gepresenteerd door een jongeman wiens achternaam ik kwijt ben, maar zijn voornaam is Ritze, en hij is één van de ontwikkelaars. Het is een prestigieus project met partners in de ICT en krantenuitgeverijwereld. Ik werd er wel enthousiast van, maar het lijkt vooral bedoeld voor de hogere niveaus. Ook hier is het idee dat cursisten na een groepsintroductie verder zelfstandig, en wanneer ze maar willen, op de Pc’s aan de slag kunnen en hun eigen vorderingen bijhouden. Het programma begint met 70 vragen om het niveau van de cursist te bepalen (waarbij het kan voorkomen dat het na 20 vragen concludeert dat verder vragen zinloos is…)
Elke dag (!) zijn er nieuwe artikelen die op grond van de niveautoets de eerste keer aangeboden worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een tekst te volgen is als 90 % van de woorden bekend is. De overige 10 % is aan te klikken, waarop het programma hetzelfde woord nog eens aanbiedt, maar dan in een andere zin (zodat men de betekenis uit de context kan opmaken), of een vertaling, of een synoniem.
Ik weet dat ik op die manier vreemde talen heb geleerd, maar heb er zo mijn twijfels over of ik “mijn” dames daar kan krijgen. Reden ook voor iemand uit de zaal om te vragen of er ook iets wordt ontwikkeld voor laaggeletterden. Daar wordt inderdaad ook aan gewerkt.
ALANE is een online programma dat voorlopig alleen in de OBA te bereiken is, maar er gaat weer gepraat worden met de krantenuitgevers of het toch niet voor iedereen beschikbaar mag worden.
Zoals je ook in de brochure kunt lezen, duurt elk programma 90 minuten en is gratis. De OBA gaat ervan uit dat een docent de groep mede begeleidt, en het wordt verder verzorgd door een medewerker van de bibliotheek, die zich hierin heeft bekwaamd.
Dit houdt in, dat niet iedere bibliothecaris deze programma’s kan geven en dat je er dus een afspraak voor moet maken (dit kan ook buiten de openingstijden om van jouw filiaal) dit kan d.m.v. een formulier op de website.
Een grappig intermezzo was de BiebQuiz voor docenten, met vragen in dezelfde trant als onze inburgeraars krijgen. Door een geel of paars bordje omhoog te houden kon men kiezen tussen een A- en een B- antwoord. Helaas viel ik buiten de prijzen ( een zwart OBA – T-shirt met de tekst: ‘Lezen is SEXY’) door een vraag of een bepaald soort deurklopper te vinden was in de ene, of in de andere Marokkaanse stad met onuitsprekelijke namen waar ik nog nooit van had gehoord. Dat maakte wel even de frustratie van onze cursisten zeer invoelbaar. Van de plusminus 125 bezoekers waren er maar 4 met alle 25 vragen goed!
Verder nieuws is dat er een programmering komt voor NT2 docenten, met o.a. presentaties van uitgeverijen, en een programmering voor cursisten. Deze programmeringen worden nog bekend gemaakt via de digitale nieuwsbrief. Dus houdt die in de gaten.
Eigenlijk ging ik naar de presentatie met een vraag in mijn hoofd, en ik weet dat ik niet de enige ben:
“Waar is toch al dat materiaal voor docenten gebleven???”
Die vraag werd tussen neus en lippen door beantwoord door Tine de Lange, die opmerkte te weten dat die verdwijning een “pijnpunt voor docenten” was, maar dat er wel degelijk ook weer een docentenkast komt bij het NL plein in de centrale vestiging.
Overigens maakt men onderscheid tussen NL pleinen en NL punten, al naar gelang de grootte van de desbetreffende OBA.
Jullie razende reporter,
Margreet Sluys.
donderdag 28 februari 2008
vrijdag 22 februari 2008
Insj’Allah
Religie is een onderwerp dat vaak aan bod komt tijdens de lessen.
Onlangs wilde iemand weten hoe het in het Nederlands heet: “als je dood bent en God weet nog niet of je moet naar paradijs of hel. Als jij spijt hebt, mag jij naar paradijs. Als jij niet spijt hebt, dan hel.”
Ik had nooit gedacht dat ik de woorden “voorgeborchte” en “vagevuur”nog eens op een schoolbord zou schrijven.
“Wat ik niet begrijp” zegt Zarah op een dag, “is dat jullie zeggen: God is drie. Wij zeggen: God is één.”
Oké, denk ik. Kolfje naar mijn hand. En teken een driehoek op het bord.
“Hoeveel figuren zie je hier staan?” vraag ik.
“Drie lijnen”, zegt Naima. Een slimmerik.
“Hoeveel driehoeken?” Ik zal haar krijgen.
“Tja, eentje,” moet ze toegeven.
Voor de volledigheid schrijf ik de woorden God, Jezus Christus en Heilige Geest bij de punten.
Een andere keer laat ik ze een schrijfopdracht maken over de toekomst. “Hoe denk je dat de wereld er over honderd jaar uitziet?” Het leek me een leuke uitdagende opdracht, waarbij ze hun fantasie de vrije loop kunnen laten. Zonder die ingewikkelde verleden tijd. En met vliegende auto’s tegen het fileprobleem. Een medicijn tegen kanker. En hopelijk meer eenheid op politiek en religieus gebied.
De opdracht stuit echter op weerstand. “Hoe kunnen we nou weten hoe de wereld er dan uitziet?” zegt de meest mondige leerling. “Wij geloven dat het allemaal in Gods hand is.”
“Je kunt het ook niet weten,” zeg ik. “Gebruik je fantasie. Hoe zou je willen dat de wereld er dan uitziet?”
Verbouwereerd kijken ze elkaar aan.
“Dan nog” zegt Bouchra weer, “Wij kunnen wel zo veel willen, maar God beslist of het gebeurt of niet. Dit is echt een heel moeilijke opdracht voor ons. Ik kan me toch niet voorstellen wat God wil?”
Uiteindelijk geef ik een alternatieve opdracht, zodat ze kunnen kiezen. Ze kiezen allemaal voor de alternatieve opdracht.
Religie is een onderwerp dat vaak aan bod komt tijdens de lessen.
Onlangs wilde iemand weten hoe het in het Nederlands heet: “als je dood bent en God weet nog niet of je moet naar paradijs of hel. Als jij spijt hebt, mag jij naar paradijs. Als jij niet spijt hebt, dan hel.”
Ik had nooit gedacht dat ik de woorden “voorgeborchte” en “vagevuur”nog eens op een schoolbord zou schrijven.
“Wat ik niet begrijp” zegt Zarah op een dag, “is dat jullie zeggen: God is drie. Wij zeggen: God is één.”
Oké, denk ik. Kolfje naar mijn hand. En teken een driehoek op het bord.
“Hoeveel figuren zie je hier staan?” vraag ik.
“Drie lijnen”, zegt Naima. Een slimmerik.
“Hoeveel driehoeken?” Ik zal haar krijgen.
“Tja, eentje,” moet ze toegeven.
Voor de volledigheid schrijf ik de woorden God, Jezus Christus en Heilige Geest bij de punten.
Een andere keer laat ik ze een schrijfopdracht maken over de toekomst. “Hoe denk je dat de wereld er over honderd jaar uitziet?” Het leek me een leuke uitdagende opdracht, waarbij ze hun fantasie de vrije loop kunnen laten. Zonder die ingewikkelde verleden tijd. En met vliegende auto’s tegen het fileprobleem. Een medicijn tegen kanker. En hopelijk meer eenheid op politiek en religieus gebied.
De opdracht stuit echter op weerstand. “Hoe kunnen we nou weten hoe de wereld er dan uitziet?” zegt de meest mondige leerling. “Wij geloven dat het allemaal in Gods hand is.”
“Je kunt het ook niet weten,” zeg ik. “Gebruik je fantasie. Hoe zou je willen dat de wereld er dan uitziet?”
Verbouwereerd kijken ze elkaar aan.
“Dan nog” zegt Bouchra weer, “Wij kunnen wel zo veel willen, maar God beslist of het gebeurt of niet. Dit is echt een heel moeilijke opdracht voor ons. Ik kan me toch niet voorstellen wat God wil?”
Uiteindelijk geef ik een alternatieve opdracht, zodat ze kunnen kiezen. Ze kiezen allemaal voor de alternatieve opdracht.
vrijdag 15 februari 2008
geven met een goed hart
Soms wilde ik dat ik Arabisch sprak; de vrouwen die ik lesgeef spreken soms zinnen uit die me doen vermoeden dat het vol zit met prachtige uitdrukkingen.
Toen ik eens een videorecorder met tv-toestel wilde lenen bij Rik, de conciërge van de school waarin mijn lessen plaatsvinden, stuitte dat op enige weerstand. “Kan jouw bedrijf dat niet voor je aanschaffen,” bromde hij. Alsof mijn bedrijf dit soort apparatuur laat aanrukken voor die drie lessen per jaar dat ik een video wens te gebruiken. Maar hij wees een apparaat aan dat op een verrijdbare tafel in de gang stond: die kon ik meenemen.
Terug in de klas met de gewenste spullen, sloot ik een en ander naar behoren aan en duwde de videocassette erin. Een luide klik klonk, en het apparaat leek een eigen wil ontwikkeld te hebben: in plaats van het gevraagde af te spelen, kwam de video klik – ratel naar buiten, en klik - ratel werd hij weer naar binnen getrokken. Dat ging zo een poosje door en drukken op knopjes hielp er niets aan. De enige manier om de video er weer uit te halen, was door de stekker uit het apparaat te trekken. De klep zat nu in het apparaat en het kostte enige moeite om die weer op zijn plek te krijgen.
“Heb ik het nu stuk gemaakt?” vroeg ik me hardop af.
“Nee, het was al stuk, het is een oud apparaat”, zei Fatima.
“Het komt omdat Rik het gaf met een slecht hart”, wist Aïsha.
Het voelt als waar, wat ze zegt. De Arabische uitdrukking: “iets met een goed hart geven” vertaalde ik voor ze met “vanuit je hart geven” . Maar ik houd van de nuance die Aïsha’s uitdrukking eraan gaf.
Toen ik eens een videorecorder met tv-toestel wilde lenen bij Rik, de conciërge van de school waarin mijn lessen plaatsvinden, stuitte dat op enige weerstand. “Kan jouw bedrijf dat niet voor je aanschaffen,” bromde hij. Alsof mijn bedrijf dit soort apparatuur laat aanrukken voor die drie lessen per jaar dat ik een video wens te gebruiken. Maar hij wees een apparaat aan dat op een verrijdbare tafel in de gang stond: die kon ik meenemen.
Terug in de klas met de gewenste spullen, sloot ik een en ander naar behoren aan en duwde de videocassette erin. Een luide klik klonk, en het apparaat leek een eigen wil ontwikkeld te hebben: in plaats van het gevraagde af te spelen, kwam de video klik – ratel naar buiten, en klik - ratel werd hij weer naar binnen getrokken. Dat ging zo een poosje door en drukken op knopjes hielp er niets aan. De enige manier om de video er weer uit te halen, was door de stekker uit het apparaat te trekken. De klep zat nu in het apparaat en het kostte enige moeite om die weer op zijn plek te krijgen.
“Heb ik het nu stuk gemaakt?” vroeg ik me hardop af.
“Nee, het was al stuk, het is een oud apparaat”, zei Fatima.
“Het komt omdat Rik het gaf met een slecht hart”, wist Aïsha.
Het voelt als waar, wat ze zegt. De Arabische uitdrukking: “iets met een goed hart geven” vertaalde ik voor ze met “vanuit je hart geven” . Maar ik houd van de nuance die Aïsha’s uitdrukking eraan gaf.
maandag 11 februari 2008
taalles in de kerk
Het zal u niet ontgaan zijn dat de Nederlandse taal onlangs is verrijkt met een nieuw woord, dat zowel letterlijk als ironisch gebruikt kan worden. Ik heb het natuurlijk over het prachtwoord: Prachtwijk.
Een van de cursussen die ik geef, vindt plaats in een dergelijke prachtwijk, en tijdens zo’n 3 uur taalklas komt dat woord dan ook opvallend vaak – letterlijk en ironisch - langs in mijn hoofd.
Om kwart voor 9 maak ik de deur open van de pastorie waar mijn werkgever een zaaltje heeft gehuurd voor de taallessen. De kerk en bijbehorende pastorie zijn monumentaal oud en voorzien van een tuin voor en een tuin achter, die goed onderhouden worden door vrijwilligers. Omdat ik vroeg ben, neem ik even plaats in de serre om naar de merels in de boom te kijken: Prachtwijk.
De koster komt binnen en vraagt me, of ik wel even kijk wie er voor de deur staat als er zo wordt aangebeld. Er zit voor dit doel een klein raampje in de deur, dat open kan, zodat je bezoekers te woord kunt staan voordat je ze binnenlaat. Onlangs is er iemand naar binnen gekomen die stennis begon te schoppen en in kennelijke staat verkeerde: Prachtwijk.
Verspreid over het eerste half uur komen de cursisten binnendruppelen. Analfabeten en hoger opgeleiden bij elkaar, omdat het eigenlijk twee samengevoegde groepen zijn. Als iedereen er is, vertel ik dat de uren voor sommige cursisten “op” zijn. Ze hoeven niet meer te komen, en ook geen presentielijsten meer te tekenen. Maar als ze willen, kunnen ze blijven komen tot de uren voor alle cursisten op zijn. Ze zijn het er allemaal over eens, dat iedereen gewoon moet blijven komen. Om meer Nederlands te leren en gezellig samen koffie te drinken in de pauze. Prachtwijk.
In de pauze spreek ik op de gang een Amerikaanse cursiste die eigenlijk bijna alleen maar Engels spreekt. Het is in deze stad ook moeilijk om de gewoonte te doorbreken van de autochtonen, om meteen maar over te schakelen op het Engels als er een vermoeden is dat de gesprekspartner Engelstalig van origine is. We spreken over het mooie gebouw, en ook over de pastoor van de gemeente, die mij een vriendelijke man lijkt. Ietwat venijnig merkt de vrouw op, dat die pastoor anders wél de persoon was “die de moslims de kerk binnen heeft gehaald – en we weten allemaal wat daarvan komt”. Prachtwijk.
Een paar weken later is dezelfde cursiste ziek. Ik besluit, tijdens de les te bellen met haar man om te horen hoe het met haar is. Hij spreekt alleen Engels, en dat doe ik dus ook nu, en ik weet dat de aanwezige cursisten dat allemaal niet verstaan. Maar alle ogen zijn op me gericht terwijl ik hem spreek, zo leven ze mee met haar gezondheidsproblemen. Prachtwijk.
Bij mijn vertrek uit de kerk, na afloop van de les, loop ik de pastoor tegen het lijf. Hij stelt zich voor en informeert naar het verloop van de cursus en het welzijn van de cursisten. Ik vertel dat ik soms wat moeite heb met een cursiste die zich – achter hun rug om – laatdunkend uitlaat over moslims. “Des te groter voor ons de uitdaging om te laten zien hoe het ook kan”, merkt hij op met een twinkeling in zijn ogen.
Prachtwijk.
Een van de cursussen die ik geef, vindt plaats in een dergelijke prachtwijk, en tijdens zo’n 3 uur taalklas komt dat woord dan ook opvallend vaak – letterlijk en ironisch - langs in mijn hoofd.
Om kwart voor 9 maak ik de deur open van de pastorie waar mijn werkgever een zaaltje heeft gehuurd voor de taallessen. De kerk en bijbehorende pastorie zijn monumentaal oud en voorzien van een tuin voor en een tuin achter, die goed onderhouden worden door vrijwilligers. Omdat ik vroeg ben, neem ik even plaats in de serre om naar de merels in de boom te kijken: Prachtwijk.
De koster komt binnen en vraagt me, of ik wel even kijk wie er voor de deur staat als er zo wordt aangebeld. Er zit voor dit doel een klein raampje in de deur, dat open kan, zodat je bezoekers te woord kunt staan voordat je ze binnenlaat. Onlangs is er iemand naar binnen gekomen die stennis begon te schoppen en in kennelijke staat verkeerde: Prachtwijk.
Verspreid over het eerste half uur komen de cursisten binnendruppelen. Analfabeten en hoger opgeleiden bij elkaar, omdat het eigenlijk twee samengevoegde groepen zijn. Als iedereen er is, vertel ik dat de uren voor sommige cursisten “op” zijn. Ze hoeven niet meer te komen, en ook geen presentielijsten meer te tekenen. Maar als ze willen, kunnen ze blijven komen tot de uren voor alle cursisten op zijn. Ze zijn het er allemaal over eens, dat iedereen gewoon moet blijven komen. Om meer Nederlands te leren en gezellig samen koffie te drinken in de pauze. Prachtwijk.
In de pauze spreek ik op de gang een Amerikaanse cursiste die eigenlijk bijna alleen maar Engels spreekt. Het is in deze stad ook moeilijk om de gewoonte te doorbreken van de autochtonen, om meteen maar over te schakelen op het Engels als er een vermoeden is dat de gesprekspartner Engelstalig van origine is. We spreken over het mooie gebouw, en ook over de pastoor van de gemeente, die mij een vriendelijke man lijkt. Ietwat venijnig merkt de vrouw op, dat die pastoor anders wél de persoon was “die de moslims de kerk binnen heeft gehaald – en we weten allemaal wat daarvan komt”. Prachtwijk.
Een paar weken later is dezelfde cursiste ziek. Ik besluit, tijdens de les te bellen met haar man om te horen hoe het met haar is. Hij spreekt alleen Engels, en dat doe ik dus ook nu, en ik weet dat de aanwezige cursisten dat allemaal niet verstaan. Maar alle ogen zijn op me gericht terwijl ik hem spreek, zo leven ze mee met haar gezondheidsproblemen. Prachtwijk.
Bij mijn vertrek uit de kerk, na afloop van de les, loop ik de pastoor tegen het lijf. Hij stelt zich voor en informeert naar het verloop van de cursus en het welzijn van de cursisten. Ik vertel dat ik soms wat moeite heb met een cursiste die zich – achter hun rug om – laatdunkend uitlaat over moslims. “Des te groter voor ons de uitdaging om te laten zien hoe het ook kan”, merkt hij op met een twinkeling in zijn ogen.
Prachtwijk.
vrijdag 8 februari 2008
Fatima en Ingmar
Ik heb een nieuwe groep, deze week. Allemaal vrouwen op een zogenaamd PAVEM – traject. “Het Máxima – traject” , wordt het in de wandelgangen genoemd. Dit houdt in, dat deze vrouwen recht hebben op taal – en inburgeringslessen voor een periode tot 3 jaar. Dan moeten ze inburgeringsexamen doen.
Ik houd wat individuele kennismakingsgesprekjes in de pauze.
“Fatima, hoi. Jij hebt eerder al taalles gehad?”
“Ja, hier. Zes jaar.”
“En heb je kinderen, Fatima?”
“Ja, vijf kinderen. Goede kinderen, allemaal school, werk, gezond.”
“Ah, dat is fijn. En hoe oud ben je?”
“Zesenvijftig, nu ben ik een oude vrouw.”
“Nou, dat vind ik nog niet zo oud hoor. En je ziet er nog jong uit! Maar kijk je wel eens naar Nederlandse televisieprogramma’s? Of lees je wel eens iets in het Nederlands?”
“Nee, nooit.”
Fatima woont al veertig jaar in Nederland en spreekt nooit een Nederlander, behalve de buurvrouw: “Hallo buurvrouw, alles goed? Ja? Doei!” De taallessen die ze heeft gehad zijn al weer zes jaar geleden en volgens haar is ze “alles weer vergeten”. Ze spreekt in zinnen van ten hoogste drie woorden en ik vermoed dat een ongeoefend oor moeite heeft om haar te begrijpen.
Tijdens de eerste les is gebleken dat Fatima leest op het tempo en niveau van een kind in, pakweg, groep vier. (Deze leesniveaus zijn niet echt te vergelijken: probeert u maar eens een taal te lezen die u niet spreekt!) Ik begin me af te vragen waarom Fatima weer op les moet. En of dat wel zinvol is. Kennelijk functioneert ze prima in de Nederlandse maatschappij, ze is gezond en lijkt wel gelukkig. Het punt met die nieuwe inburgeringswet is dat vrouwen als Fatima in het verleden nooit een niveau hebben behaald dat nu vereist is. Maar de vraag is of ze het ooit zal halen. Fatima behoort tot een groep die “moeilijk leerbaar” wordt genoemd: Als kind nooit naar school geweest, geen studievaardigheden, weinig motivatie, want al zo lang hier dat ze allang andere manieren heeft gevonden om te functioneren. Waarschijnlijk met behulp van man, kinderen en schoonfamilie in de papieren jungle die Nederland is. Geen contact met Nederlanders op bijvoorbeeld werk of een opleiding. Wat de Nederlandse maatschappij van haar verlangt – dat ze zich emancipeert en de arbeidsmarkt op gaat – is in mijn ogen een onmogelijkheid.
In mijn lunchpauze eet ik een broodje in een Zweedse lunchroom op de markt, waar een joviale Zweed de scepter zwaait. Hij heeft een licht accent en ik betrap hem op niet één fout terwijl hij in het Nederlands telefoneert.
“Mag ik u vragen hoe lang u al in Nederland bent? Uw Nederlands is vlekkeloos!”
“Twaalf jaar al, en vlekkeloos? Nee hoor, ik maak heel veel fouten.” Hij pakt de menukaart. “Bijvoorbeeld hier: iemand vertelde mij, dat het niet ‘Zweeds gehaktballetjes’ is, maar ‘Zweedse gehaktballetjes’. Dat begrijp ik nog niet, waarom verschijnt en verdwijnt die e in de bijvoeglijk naamwoorden?”
Ik krijg visioenen van mezelf terwijl ik Fatima probeer uit te leggen wat een bijvoeglijk naamwoord is.
“Nederlands is ook niet gemakkelijk”, herneemt hij. “Al die spreekwoorden en uitdrukkingen! Er staan er zo vier op één krantenpagina!”
Nu heb ik een visioen van Fatima achter een krant, spreekwoorden tellend.
“We hebben hier veel water, dus onze uitdrukkingen staan bol van het water: varen, bruggen, zwemmen, zinken, eb en vloed…..”, begin ik te doceren.
“Ja, dat, en ook hoeken,” zegt hij.
“Hoeken?” vraag ik. Dat was me nog nooit opgevallen.
“Ja. Nederlanders hebben iets met hoeken. Voorbeeld. De Telegraaf, daar kunnen ze niet schrijven. Dat verbergen ze achter uitdrukkingen. In een artikel stond: Hij liet haar alle hoeken van de kamer zien. En in de volgende alinea werd hij door het openbaar ministerie in de gevangenis gezet! Kijk,” zegt hij, en pakt me bij mijn mouw. Hij wijst op een hoek van de lunchroom. “Zie je die hoek?”
“Ja,” zeg ik braaf. Met deze Zweed valt niet te spotten.
“En zie je die hoek?”
Ik begin te lachen.
“Hij wilde haar horizonten verbreden! Hij liet haar alle hoeken zien! Het was een aardige man! En de politie kwam hem van zijn bed lichten!”
Als mijn thee op is, vraag ik hem hoe hij Nederlands heeft geleerd. Heeft hij op les gezeten?
“Nee, ik ben begonnen met Asterix en Obelix”, vertelt hij. “Eerst met de Zweedse versie erbij. En later, twee kranten op een dag. Maar ik had nog problemen met de uitspraak. Dan ging ik naar het Centraal Station en vroeg aan mensen, of ik ze een stukje mocht voorlezen. En dan moesten zij me corrigeren. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: “zo spreken we dat hier niet uit, hoor! Zo praten ze in Rotterdam misschien, maar hier niet!” Eerlijke mensen, Amsterdammers. En later werkte ik in een sjiek restaurant hier in de stad, daar heb ik het echt goed geleerd.”
Heeft dat restaurant misschien een vacature voor Fatima?
Abonneren op:
Posts (Atom)