maandag 31 maart 2008

Een soort ruzie

Een soort ruzie

Fitna is eindelijk een feit. “Wilders houdt het Nederlandse volk al maanden in gijzeling”, wie zei dat ook al weer? Het Nederlandse volk is nu dan bevrijd.
Ik heb er zelf nog niets van gezien als ik ’s ochtends de klas binnenkom, en vind het daarom ook een non-onderwerp. Er wordt echter druk in het Turks en Arabisch door elkaar gepraat, waartussen het enige woord dat ik begrijp “Fitna” is.
Ik zal er dan toch maar aan geloven, rustig wordt het anders voorlopig toch niet, dat is duidelijk.
Eerst laat ik ze de betekenis van het woord in het Nederlands vertalen. “een soort van ruzie”, zo ver komen ze.
“Proberen ruzie te maken?” vraag ik. Ja, dat bedoelen ze. Ik schrijf het woord provoceren op het bord. Ik heb ook alleen maar een klok horen luiden. Een Arabisch/Franstalige knikt herkennend, maar aan de rest is een taalkundige invalshoek nog niet besteed. Binnen een paar minuten moet ik wel vijf keer roepen: Nu weer in het Nederlands!
Ik probeer te inventariseren wat er dan te zien was in die film.
“Slechte dingen. Wilders slechte man”, weet een cursiste. Gebrek aan woorden geeft soms een akelig gebrek aan nuance.
Een andere vertelt over terroristische aanslagen en de Deense cartoon: De profeet met een bom als tulband. Ik merk dat de meeste met hun mond vol tanden zitten.
“Wie heeft die film gezien?” vraag ik. Weer wordt er in duizend tongen door elkaar geroepen. Ik begin me een Babeltorenbouwer te voelen. Ik ga gewoon de rij af.
“Heb jij de film gezien? En jij? Heb jij het gezien? Heb jij Fitna gezien?”
Van de tien mensen hebben er drie stukjes ervan gezien. Ik leg de niet-kijkers eerst maar eens het zwijgen op en laat degenen die er iets van hebben gezien verder vertellen.
Dat ze zich geen van allen identificeren met de daders van de aanslagen, wordt ook duidelijk.
Terrorisme is haram. Zelfmoordaanslagen: Haram. Al is er één vrouw die daarover in discussie lijkt te willen gaan, maar alleen in het Arabisch, dus die negeer ik, net zoals ze mijn ogen ontwijkt.
Dan is het weer tijd voor een vraagwoord.
Waarom denk je dat Wilders die film heeft gemaakt?” vraag ik.
Daar worden ze zowaar stil van. Ja, waarom eigenlijk? Kan ik het vertellen?
“Meneer Wilders is bang!” zeg ik.
“Voor wat is hij dan bang?”
“Voor jullie!”
Er verschijnt zowaar een lachje. Huh? Bang voor ons?
“Meneer Wilders is bang dat iedereen in Nederland moslim wordt, en dat de Sharia hier wordt ingesteld”, vertel ik verder.
Even zijn ze met stomheid geslagen.
Ayisha zou wel weten hoe ze meneer Wilders gerust zou stellen:
“Alleen God kan beslissen of dat gebeurt. Als God het wil, wordt iedereen in Nederland moslim. Daar kunnen wij niets aan doen. En Wilders ook niet”.
Nou ben ik niet zo gecharmeerd van een dergelijk fatalisme. Over de gedachte, dat alles gebeurt zoals het gebeurt omdat God het wil, ben ik persoonlijk al een paar keer vrij hard gestruikeld. Ik ben blij dat ik er rond mijn vijfentwintigste dan toch eindelijk achter kwam dat ik een eigen wil en creërend vermogen in mijn leven heb. En dat God graag wil dat ik die gebruik.
Ik probeer dat in eenvoudige bewoordingen over te brengen. Maar eigenlijk begin ik genoeg te krijgen van het onderwerp. Ik wil er nog één ding over kwijt.
“Moslims kunnen ook een film maken” begin ik. “Over de Bijbel. En de slechte dingen die christenen hebben gedaan in naam van God.”
De boodschap lijkt niet aan te komen. En waarom zou die ook. Het zou een nare film worden. Oorlogen, kolonisatie, kruistochten, inquisitie. En dan een scheurend geluid, terwijl de gruwelijkste passages uit de Bijbel in beeld komen. Jezus aan een kruisraket.

Volgend onderwerp, dames. Zullen we in mei een rondvaart door de Amsterdamse grachten doen?
Jottum!

vrijdag 28 maart 2008

laten we dat maar doen

Laten we dat maar doen

In een groep met vrouwen die nog niet zo veel Nederlands spreken, gebruik ik soms een methode met de naam “Taalriedels”. Het bestaat uit dialogen op CD en op papier in korte, veel gebruikte zinnetjes, met op de achtergrond de ritmische tik van een metronoom.
Iedere zin wordt een keer herhaald, zodat de cursisten de kans hebben om de tweede keer mee te doen. Het klinkt ongeveer zo:

“Nou dag, tot ziens hè!” tik – tak – tik – tak.
“Nou dag, tot ziens hè!” tik – tak – tik – tak.
“Ja, tot gauw maar weer!” tik – tak – tik – tak.
“Ja, tot gauw maar weer!” tik – tak – tik – tak.

De makers van deze methode hebben gevoel voor humor. Dikke pret moet het ook geweest zijn voor de stemacteurs, die de gekste zinnetjes gortdroog herhalen.
Dikke pret hebben mijn cursisten en ik ook met het uitspreken van een zinnetje, dat op papier aangegeven staat als: “Laten we dat maar doen”, in antwoord op de vraag: “Zullen we gaan?”.
De stemacteurs houden zich namelijk natuurgetrouw aan de gebruikelijke manier om dit uit te spreken.

“Zulle we gaan?”
“Zulle we gaan?”
“Lawe damma doen.”
“Lawe damma doen.”

Lawe damma doen, probeer ik de cursisten te laten zeggen. Ik denk zelf dat het gemakkelijker is dan “laten we dat maar doen.”
“Lamadamadoem”, zegt Sadiqa.
“Walamadadoem”, zegt Fatiha.
“Mada mada boem”, probeert Rachida.

Farah uit Afghanistan is vandaag nieuw. Ze zit er de hele les al wat depressief bij, niet echt alsof de spanning van een nieuwe groep waarin ze een jaar les zal hebben, haar energie geeft.
“Lawe damma doen”, zegt ze vlekkeloos. Ze vindt het wel goed klinken en herhaalt het een paar keer. Ik kijk haar aanmoedigend aan. Ze gaat er helemaal rechtop van zitten.
“Madamadahoem”, probeert Rachida nog eens.
“Nee, Lawe damma doen” verbetert Farah.
“Ja, heel goed, Farah,” lach ik. Er verschijnt zowaar een klein glimlachje op haar gezicht.
De laatste 3 minuten van de les laat ik Farah de anderen het zinnetje leren. Ze bloeit er werkelijk van op. Ik geloof dat ik mijn klassenassistente heb gevonden.

vrijdag 21 maart 2008

Tot 10 tellen

Tot 10 tellen

Toen ik op twintigjarige leeftijd besloot, eens een poosje met een vriendin door Europa te gaan reizen, had ik me daar taalkundig op voorbereid. Ik had geleerd, tot tien te tellen in de talen van alle landen die ik ging bezoeken. Ik kon in elke taal alsjeblieft en dankjewel zeggen, ja en nee, goedemorgen, goedemiddag en goedenavond.
Het woord “goed” bleek ook handig in combinatie met ja en nee. “nee goed” en “ja goed”, dat begrijpt iedereen. Bovendien was goedemiddag altijd een leuke binnenkomer; mensen gaan spontaan glimlachen als je die poging doet in hun taal.
Ik besef best dat een immigrant een andere rol speelt dan een toerist, maar wat kan je verwachten van iemand die hier al twee jaar is?
Goeie vraag.
Een nieuwe cursiste in een bestaande groep, Maria, zo lees ik in haar dossier, heeft in een Oost – Europees land op school gezeten, en woont al twee jaar in Nederland. Van zo iemand kan ik bepaalde verwachtingen maken; iemand met een schoolopleiding heeft zo veel inzicht in hoe je een taal leert, die heeft zelf allang wat basiswoorden geleerd van haar buurvrouw, boeken uit de bibliotheek geleend om zichzelf op weg te helpen, Nederlandse TV gekeken, haar woordenboek stukgelezen, enzovoorts.
Dat mijn ervaring niet genoeg is bewijst deze cursiste. Bij elk van mijn vragen begint ze verlegen te giechelen en haalt haar schouders op. Tot tien tellen, of zelfs maar haar eigen leeftijd vertellen: lukt niet. Als de cursisten aan het eind van de les “tot morgen” zeggen, zegt zij: “bis morgen”.
“Spreek je Duits?” vraag ik dan natuurlijk.
“Nein”, zegt ze.
“Wij zeggen: tot morgen, “ vertel ik haar.
“Tot morgen,” herhaalt ze giechelend.
Ik ben compleet de kluts kwijt. Een intelligente jonge vrouw, met scholing, westers opgevoed, met een Nederlandssprekende man! En na twee jaar hier nog niet tot tien kunnen tellen!
De rest van de groep bestaat uit langzaam lerende pas gealfabetiseerde mensen, maar ze spreken over het algemeen wel een behoorlijk mondje Nederlands, en kunnen een verhaaltje vertellen in zinnen van twee of drie woorden. Tijdens de klassikale lessen kom ik daarom af en toe even speciaal naar Maria toe om wat woorden te verklaren. Een woordenboek bezit Maria niet, ook haar man is kennelijk niet op het idee gekomen om haar dat cadeau te doen. Gelukkig heeft ze gezelschap van een vrouw uit hetzelfde land die een stuk verder is en voor ons vertaalt.
Van haar hoor ik ook iets meer van de hindernissen waar Maria over struikelt. Zo blijkt, dat ze haar jonge kinderen achter heeft moeten laten bij haar moeder in het thuisland. Ze heeft ze al lang niet gezien. Dat ze onlangs een miskraam heeft gehad zal ook niet helpen voor haar taalvorderingen. Als klap op de vuurpijl vertelt Maria via haar landgenote nog, dat haar man, als hij ’s avonds laat eindelijk thuis is, geen aandacht aan haar besteedt, maar meteen achter de computer schuift. Tja, dan maakt het ook niet meer uit of die man nou Nederlands spreekt of niet.
Helaas voorziet de Wet Inburgering niet in hulpvaardige echtgenoten. Intussen leer ik Maria tot tien tellen. En als ik haar man ooit ontmoet, zal ik ook eerst tot tien tellen voor ik hem te woord sta. In alle talen waarin ik het nog weet.

vrijdag 14 maart 2008

bevallen in het Nederlands

Met mijn collega Lena heb ik afgesproken dat we een aantal lessen aan het thema “zwangerschap en bevalling” zullen wijden. Van tevoren hebben we het verteld aan de groep, zodat ze voorwerpen of foto’s mee kunnen nemen die voor hen herinneringen oproepen aan hun zwangerschap of bevalling. Aangezien het hier een groep moeders van een basisschool betreft, kunnen we dit thema nemen. Twee ervan zijn hoogzwanger. Met één kinderloze vrouw ertussen zou het al heel anders zijn. Laat staan in een groep met mannen erbij, het onderwerp is daarvoor nog te zeer taboe voor sommigen.
Eén voor een laten de vrouwen hun voorwerpen zien en vertellen over hun ervaringen. Karima krijgt meteen de lachers op haar hand. Ze laat een foto zien van haar baby in een ziekenhuisweegschaal en vertelt dat ze nooit thuis zou willen bevallen, want ze schreeuwt zo hard tijdens de bevalling. Tijdens haar eerste bevalling vroeg de dokter haar, of het niet wat zachter kon; enkele kamers verder op de gang hadden ze geïnformeerd wat er toch aan de hand was. “Ga jij maar weg, want je weet er niks van! Jij bent ook een man!” had ze de arts toegebeten. De gynaecoloog was even weggelopen, om later weer terug te komen bij het bed. Toen haar man voorzichtig opperde dat het toch iets minder kon, kreeg hij ook een veeg uit de pan: “Jij! Moet helemaal je mond houden! Het is allemaal jouw schuld!”
Ze vertelt het met hetzelfde temperament dat uit het verhaal blijkt, en we gieren allemaal van het lachen.
Een ander verhaal komt van Farah. Haar dochter was geboren, het was een zware maar goede bevalling geweest. Toen kwam de placenta. “Wat is dat nou?” had ze haar man gevraagd. Ze schrok ervan. Was het nog een kind, maar dan een mislukte? Haar man wist het ook niet. Ze vroegen het aan de gynaecoloog, die ze vertelde wat het was en waar het voor diende.
Ik bedenk me hoe beangstigend een bevalling kan zijn als je niet goed bent ingelicht, helemaal als het je eerste is, en helemaal in een vreemd land waar je de taal niet spreekt. Nog regelmatig bevallen vrouwen, of meisjes soms nog, in Nederlandse ziekenhuizen terwijl ze nauwelijks weten wat er gaat gebeuren.
In dat verband spreekt ook het verhaal van Asha. Ze moest ingeknipt worden omdat de bevalling niet opschoot, en de harttonen lieten weten dat het kind, haar eerste, er echt uit moest. Ze was bang toen ze de schaar zag en begreep niet wat er gebeurde. Ook haar man leek het niet te weten. Hij zat achter haar, maar wist ook niet veel meer dan zij. Toen het kind er eenmaal was en ze gehecht moest worden, was ze alleen maar verdrietig. Ze dacht dat ze de eerste en enige vrouw was die niet zonder schaar kon bevallen. En of het “daaronder” allemaal weer goed kwam kon ze ook niet vragen. Toen ze het kind aan de borst kreeg, huilde ze nog.
Er vloeien meer tranen, deze les: sommige zwangerschappen eindigen niet zoals je het zou willen. De veerkracht van deze vrouwen is enorm en ik heb grote bewondering voor ze. Moederschap is zoiets universeels dat deze les gebeurt wat ik had gehoopt: de groep voelt nog veel meer dan anders als een eenheid, ondanks dat er 6 verschillende nationaliteiten in zitten. Zelfs in de pauze praten ze door, reden voor Lena en mij om de pauze iets te laten uitlopen. Spontane taal is altijd beter dan in lesverband.
Lena vertelt dat ze het hoofdje had gevoeld met haar handen, omdat een vriendin die bij de bevalling was, had gezegd: “ik zie het hoofdje!” Ik herinner me dat ik dat ook deed, na enig aandringen van de verloskundige. Ik voelde toen een vreemde richel, dat bleek de richel te zijn die er eventjes is door het over elkaar schuiven van de twee schedelhelften. Het voelde heel vreemd, ik kan me dan ook voorstellen dat de andere vrouwen een beetje huiveren bij het idee.
Saida vertelt dat haar bevalling zo pijnlijk was, dat ze daarna besloot dat één kind genoeg was, terwijl ze daarvoor plannen had voor een groot gezin.
Amy laat een echofoto zien. Ze vertelt dat ze na twee miskramen niet durfde te hopen dat ze weer zwanger was. Maar uit de echo bleek dat ze al 13 weken heen was; voorbij de “gevarenzone”. Ondersteund door haar zussen was ze het ziekenhuis weer uitgestrompeld. Ze durfde niet meer zelf te lopen, bang dat het kind er weer “uit zou vallen”. Liggend op de achterbank was ze teruggereden naar huis en de rest van de zwangerschap was ze door haar zussen verzorgd en vertroeteld, opdat ze haar kindje gezond ter wereld zou kunnen brengen.
Op dat moment komt hij langs in de gang: Een flinke gozer van een jaar of 11. Die zussen hebben goed werk gedaan, dat blijkt maar.

woensdag 12 maart 2008

de honger de wereld uit

leer Engels en help honger de wereld uit - allemaal tegelijk op www.freerice.com

vrijdag 7 maart 2008

1001 nachten

1001 nachten

Op een ochtend kwam ik het leslokaal binnen met een krant. Ik lees vaak een paar berichten voor, en schrijf dan de moeilijke woorden op het bord. Nadat ik het grootste artikel van de voorpagina had behandeld, viel mijn oog op een klein berichtje. “Moslima’s gaan nu ook vreemd” stond erboven. Wetend dat mensen het liefst over zichzelf horen, vertelde ik de klas de inhoud van het bericht: uit een enquête, die anoniem ingevuld kon worden, bleek dat
25 procent van de moslimvrouwen vreemd gaat.
Verontwaardigde reacties: “Dat kan helemaal niet!”. “Wie heeft dat onderzoek gedaan?” .“Ik geloof het niet!”.
Karima wist ook iets opzienbarends te vertellen: “Ik heb laatst gelezen dat 75 procent van de vrouwen, hoe zeg je dat, hun vinger gebruiken in plaats van een man! Dat geloof ik ook niet!” Ze stak er een mooi gemanicuurde wijsvinger bij op.
Van sommige vrouwen kreeg ze bijval, anderen keken plotseling een andere kant op. Een vrouw was zo moedig om te zeggen: “Dat jij het niet doet wil niet zeggen dat anderen het ook niet doen”.
We vragen ons nog even hardop af met wie die mannen toch allemaal vreemdgaan: maar liefst 75 procent! Die doen het dus met die 25 procent getrouwde vrouwen? Of met singles, die niet meegenomen zijn in het onderzoek? Of met prostituees? Ik krijg de indruk dat de meeste vrouwen dit helemaal niet willen weten, en ga door met het nieuws op pagina twee.