Tot 10 tellen
Toen ik op twintigjarige leeftijd besloot, eens een poosje met een vriendin door Europa te gaan reizen, had ik me daar taalkundig op voorbereid. Ik had geleerd, tot tien te tellen in de talen van alle landen die ik ging bezoeken. Ik kon in elke taal alsjeblieft en dankjewel zeggen, ja en nee, goedemorgen, goedemiddag en goedenavond.
Het woord “goed” bleek ook handig in combinatie met ja en nee. “nee goed” en “ja goed”, dat begrijpt iedereen. Bovendien was goedemiddag altijd een leuke binnenkomer; mensen gaan spontaan glimlachen als je die poging doet in hun taal.
Ik besef best dat een immigrant een andere rol speelt dan een toerist, maar wat kan je verwachten van iemand die hier al twee jaar is?
Goeie vraag.
Een nieuwe cursiste in een bestaande groep, Maria, zo lees ik in haar dossier, heeft in een Oost – Europees land op school gezeten, en woont al twee jaar in Nederland. Van zo iemand kan ik bepaalde verwachtingen maken; iemand met een schoolopleiding heeft zo veel inzicht in hoe je een taal leert, die heeft zelf allang wat basiswoorden geleerd van haar buurvrouw, boeken uit de bibliotheek geleend om zichzelf op weg te helpen, Nederlandse TV gekeken, haar woordenboek stukgelezen, enzovoorts.
Dat mijn ervaring niet genoeg is bewijst deze cursiste. Bij elk van mijn vragen begint ze verlegen te giechelen en haalt haar schouders op. Tot tien tellen, of zelfs maar haar eigen leeftijd vertellen: lukt niet. Als de cursisten aan het eind van de les “tot morgen” zeggen, zegt zij: “bis morgen”.
“Spreek je Duits?” vraag ik dan natuurlijk.
“Nein”, zegt ze.
“Wij zeggen: tot morgen, “ vertel ik haar.
“Tot morgen,” herhaalt ze giechelend.
Ik ben compleet de kluts kwijt. Een intelligente jonge vrouw, met scholing, westers opgevoed, met een Nederlandssprekende man! En na twee jaar hier nog niet tot tien kunnen tellen!
De rest van de groep bestaat uit langzaam lerende pas gealfabetiseerde mensen, maar ze spreken over het algemeen wel een behoorlijk mondje Nederlands, en kunnen een verhaaltje vertellen in zinnen van twee of drie woorden. Tijdens de klassikale lessen kom ik daarom af en toe even speciaal naar Maria toe om wat woorden te verklaren. Een woordenboek bezit Maria niet, ook haar man is kennelijk niet op het idee gekomen om haar dat cadeau te doen. Gelukkig heeft ze gezelschap van een vrouw uit hetzelfde land die een stuk verder is en voor ons vertaalt.
Van haar hoor ik ook iets meer van de hindernissen waar Maria over struikelt. Zo blijkt, dat ze haar jonge kinderen achter heeft moeten laten bij haar moeder in het thuisland. Ze heeft ze al lang niet gezien. Dat ze onlangs een miskraam heeft gehad zal ook niet helpen voor haar taalvorderingen. Als klap op de vuurpijl vertelt Maria via haar landgenote nog, dat haar man, als hij ’s avonds laat eindelijk thuis is, geen aandacht aan haar besteedt, maar meteen achter de computer schuift. Tja, dan maakt het ook niet meer uit of die man nou Nederlands spreekt of niet.
Helaas voorziet de Wet Inburgering niet in hulpvaardige echtgenoten. Intussen leer ik Maria tot tien tellen. En als ik haar man ooit ontmoet, zal ik ook eerst tot tien tellen voor ik hem te woord sta. In alle talen waarin ik het nog weet.
vrijdag 21 maart 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
wat kun je toch leuk schrijven! ik ben ook blij dat je zoveel begrip hebt voor de mensen die je lesgeeft. dat zal haar (maria) al een stuk helpen in het leven.
Een reactie posten