donderdag 17 september 2009

De laatste keer over de hoofddoek

Wilders wil weer iets. Hij noemt het kopvoddentaks: belasting op de hoofddoek. Wel 1000 euro per jaar zouden draagsters ervan moeten dokken om de staatskas te spekken! Hij noemt het zelf een doordacht plan, maar hoe wil hij dat controleren? Wonderlijk toch, die man.
Gelukkig werd hij in de kamer en in de landelijke pers weggelachen. Mijn minst favoriete columnist, die man in de Telegraaf, noemde hem zelfs ‘die voddenkop’. Toch een aardige vondst.
Ook mijn – overwegend uit moslima’s bestaande – inburgeringsgroep moest er spontaan en hartelijk om lachen.
“Ook schoenen belasting?”
“Belasting op onze djellaba?”

Later in de les gaat het over verzekeringen, en waar je je allemaal voor kunt verzekeren. WA, je auto, je gezondheid, je inboedel, en zelfs je bril.
Suni, heel gevat: “En hoofddoekverzekering?”

Ik weet iets waar we belasting op zouden moeten heffen.
Humorloze politici.

zondag 13 september 2009

Experiment geslaagd

(Zie bericht hieronder voor de aanleiding van dit experiment.)

Eerst een brede witte haarband. Dan een doorzichtig paarsblauw sjaaltje. Die prop ik onder de rand. Dan een witte sjaal, een mooi dun ding met glimmende streepjes. Ja: ik zie eruit als een Hollandse moslima.
Durf ik zo ook de straat op? Da’s een andere vraag. Mijn dochter wil niet mee. Ik hoef alleen maar naar de Albert Heijn, maar ja, het is wel zaterdagmiddag. En er werken allemaal Marokkaanse meisjes, die mij natuurlijk meteen doorhebben als fraudeur, en Marokkaanse jongens, die zich misschien ook van alles afvragen.
Wat me angst inboezemt, is een uitdaging (nou ja,…. Ik hoef niet te bungee-jumpen. Maar dit is een onschuldig experiment). Ik ga de straat op met mijn hoofddoek.
Niemand kijkt. Niemand kijkt! Ja, wat had ik dan verwacht?
Hij waait niet af. Het wordt er niet heel heet en kriebelig onder.
In de supermarkt kies ik, in plaats van voor gewone rundergrillworst, voor een halal broodbeleg. Ook al omdat de moslima achter de kassa me anders meteen door heeft. Verbeeld ik het me of kijkt ze me iets doordringender en langer aan? Ze zegt niets. Het moslim meisje bij de klantenservice, waar ik een krantje koop, vindt het ook heel gewoon, een vrouw van 1.80 meter met blonde wimpers en een bleek sproetengezicht met een hoofddoek.
Ik loop de supermarkt uit, en kijk recht in het gezicht van de buurvrouw. Wat zou die ervan zeggen?
Ze zegt niets. Ze loopt door. Ze herkent me niet!
En dat is meteen het opvallendste van wat er gebeurt. Zo belangrijk is het nou, zo’n hoofddoek.

vrijdag 11 september 2009

Daar is -ie dan: de hoofddoekdiscussie

Ik vind het zo'n non-onderwerp: de hoofddoek!
Natuurlijk kleedt iedereen zich op een manier die hij of zij zelf prettig vindt.
En natuurlijk is dat ingegeven door cultuur en sociale achtergrond.
En natuurlijk willen we de gezichten van de mensen om ons heen zien, dus doe af die burqa!
En natuurlijk kijkt God niet naar je haar, maar in je hart!
Mijn cursisten zijn het allemaal met me eens. Negen van de elf in deze groep zijn moslima, acht daarvan dragen een hoofddoek. Het is nooit onderwerp van gesprek. Vrijheid, blijheid.
En dan komt Femke Halsema vertellen dat vrijheid betekent dat je hem "afslingert" ?!
Kom nou toch op, Femke. Zullen we dan meteen maar zo vrij zijn om op warme dagen ons t-shirt uit te trekken? Zoals de vrouwen in sommige landen al eeuwenlang doen? Zijn die dan vrijer?
Waar bestaat vrijheid nou eigenlijk uit, uit het al dan niet weglaten van een lap textiel?
Laten we met zijn allen zorg dragen voor goed onderwijs voor jongens en meisjes wereldwijd. Voor vrijheid van meningsuiting, onafhankelijke rechtsspraak en vrije verkiezingen. Dat zijn de pijlers van democratie en vrijheid, die ooit misschien zullen garanderen dat we vanuit een realistische kijk op de wereld gaan beseffen dat de vrijheid van een heel volk valt of staat met de vrijheid van elk individu erin.
Laten we de hoofddoekdiscussie voortaan achterwege laten, en ons richten op wat er wel toe doet.
Tineke Bennema, vandaag (11-9) in Trouw, eindigt haar stuk "Een driewerf hoera voor de hoofddoek" met de woorden:
Ik roep in Nederland geboren vrouwen op morgen vrijwillig een hoofddoek te dragen uit solidariteit met alle hoofddoekdraagsters in Nederland en om respect voor hen af te dwingen. Onder het motto: Baas in eigen hoofd.
Driewerf hoera voor Tineke!
Toen ik dat stuk in de pauze gelezen had, keerde ik terug het lokaal in en vertelde mijn cursisten wat ik had gelezen. Meriem had haar hoofddoek net even af, dus ik pakte hem van haar tafel en deed hem om mijn eigen hoofd. "Ja, mooi!", klonk het, en "goed, Margreet!", "ander gezicht!" .
Mijn ijdelheid gebood me, naar de spiegel te lopen om het resultaat te zien.
Mwwwwahh! Die kringen onder mijn ogen! En dat patroontje maakt me wel heel bleek! Mijn haar is mijn trots! Ik lijk wel 10 jaar ouder!
Hoe vrij ben ik zelf, van ijdelheid, en van de blikken die op mij gericht zijn?
Ik ga nu mijn klerenkast in, kijken wat morgen voor hoofddoek door kan gaan. Ik vind het een mooi experiment.

donderdag 26 maart 2009

Verbazing


Verbazing lijkt wel een groot thema in mijn functioneren voor de klas.
Als ik aan een groep van 11 volwassen vrouwen vraag, wie er zelf kunnen pinnen, en er toch 4 tussen zitten die het niet kunnen!
Ayisha heeft een man en 5 grote zoons. Zelf doet ze nooit boodschappen, dat doen de jongens. Dus hoeft ze ook geen geld op te nemen, zegt ze. Het zijn ook vrouwen die erg weinig geld aan zichzelf besteden: weinig kleren, weinig sierraden, geen make-up. In de pauze koffie voor zichzelf kopen voor 5 dubbeltjes vinden ze al te duur. Ayisha vertelt dat haar man een keer geld opnam waar zij bij was, en zijn hand ervoor hield zodat zij de pincode niet kon zien die hij intoetste! Ze vertelt het hikkend van de lach, maar op zo’n moment ben ik verbijsterd.
Het klokkijken is in de les het afgelopen jaar al een paar keer voorbijgekomen, en Dunya heeft hiervoor ook al twee jaar les gehad. Toch, als ze wil weten hoe laat het is, vraagt ze aan Layla: “Layla! Klok, wat?”
Dunya!” roep ik. “Hoe laat is het?” Ze kijkt me niet-begrijpend aan. “Zeg eens: Hoe laat is het?” vraag ik haar.
Oela es it” herhaalt ze. Het kost vier keer voordoen voordat ze het verstaanbaar nazegt. Dat vind ik ook wel tamelijk verbijsterend. Ik hoop dat het niet te erg op mijn gezicht te zien is.

Maar wat er vorige week gebeurde sloeg alles, en gelukkig lag de oorzaak niet bij mijn cursisten.
Na veel soebatten zouden we eindelijk weer eens een computerlokaal tot onze beschikking hebben. In een school dichtbij onze leslocatie. http://www.taalklas.nl/ , geweldige site voor wie zichzelf Nederlands wil leren. Ook http://www.nt2taalmenu.nl/ is heel uitgebreid. Ook onze KNS (Kennis van de Nederlandse Samenleving) methode verwijst naar een website met leerzame filmpjes. Kortom, we hadden er zin in.
De cursisten waren er, of tenminste, 10 van de 11. Ilhame is aan het afkicken van de migraine medicijnen. Jammer, want ze is de enige die wel eens thuis iets doet met een computer.
Er waren ook computers. Ze werkten. Er kwam alleen geen geluid uit: er waren geen boxen op aangesloten, en koptelefoons waren niet te vinden. Intussen leerde ik 10 mensen, die nog nooit een computer of toetsenbord hadden aangeraakt, hoe je een website opzoekt. Geloof me, daar ben je wel 45 minuten mee bezig. Natuurlijk wilden degenen, die al ingelogd waren, daar geluid bij: herhalen van woorden, gesproken tekst met een muisklik verbinden met een woord of een plaatje: Je hebt er echt geluid bij nodig.


Dus ik nam de lift naar de begane grond, waar ik de beheerder wist te vinden.
“Die koptelefoons worden stukgetrokken door die kinderen,” wist hij te vertellen. Maar hij gaf me een doos met zo’n acht koptelefoons, en zijn eigen boxenset.
Van die acht koptelefoons waren er vier die het ook nog deden. Intussen was ik rood aangelopen en bleven de cursisten met drie tegelijk mijn naam roepen.
Een computerlokaal! In een basisschool! Met een beheerder met een salaris! Zou hij geen budget hebben?
Thank God it’s Friday, dacht ik na de les. Nu eerst aan de chocola.

maandag 23 maart 2009

Toets

Jaren geleden, in mijn studententijd, werd ik eens door een uitzendbureau gevraagd om een dag te surveilleren bij examens. Het ging om een horeca-examen dat plaatsvond in een sporthal ergens in Noord-Holland.
In de zaal was tevoren alles klaargezet: de stoelen en tafels in rijen achter elkaar. Om spieken of overleggen helemaal uit te sluiten, mocht er niets op hun tafel liggen - behalve het examenpapier en een gum en potloodje die door de organisatie geleverd waren. De tweede ploeg, een paar uur later, moest van verse gummetjes en potloodjes voorzien worden. Reden waarom ik nu nog genoeg gummen en potloodjes heb voor de rest van mijn leven!
De setting is heel anders als ik mijn cursisten een schrijftoets afneem Ik laat ze gewoon naast elkaar zitten. Het is ook vooral bedoeld om eens te kijken hoe ver ze komen, niet om ze ergens voor te laten slagen of zakken.
Bij een dictee geef ik wel eens een hint: "dit woord heeft 5 letters," of: "paaaaaard," om aan te geven dat er een dubbele klinker in moet. Maar nu probeer ik het toch iets "echter" te maken, dus zonder hints van mij of overleg met elkaar. Dat vinden ze lastig! Een slimmerik pakt haar leerboek erbij om het woord 'telefoon' op te zoeken. Het staat ergens, maar waar? Ik weet hoe traag ze leest, dus ik wijs haar erop dat er een uur staat voor deze toets. Ook daar lijkt iedereen van te schrikken.
Nou ben ik niet zo'n fan van toetsen - het is te zeer een momentopname, en leren ze er nou iets van?
Bovendien staat de realiteit op de begeleidende plaatjes vaak zo ver van ze af.
Bijvoorbeeld:
Een plaatje van een trein. Vul in:
Ik ga elke dag .................. naar mijn werk.
Mijn cursisten hebben geen werk, ze zijn moeder en huisvrouw. Sommigen hebben nog nooit in een trein gezeten. Ze lezen de zin als: 'Ik ga elke dag naar mijn werk', en hebben dan het idee dat er 'ja' of 'nee' achter moet. Nee dus.
En daar ga ik dan weer, een aanwijzing hier, plaatje aanwijzen daar, stukje zin voorzeggen..........
Volgens mij leren ze daar ook meer van dan wanneer ik als een surveillant voorin blijf zitten.

donderdag 19 maart 2009

Ik ben bang voor de slang

Leuk, we doen vandaag een taalronde. Ik heb een onderwerp bedacht: “ Waar ben je bang voor?”
Ik verwacht verhalen over operaties en enge mannen in donkere steegjes. Ik heb nog niet geleerd, niks te verwachten.
Nadia begint:
“Ik ben bang voor slangen. Maar ik heb wel een foto van mij met een slang. Die foto heeft mijn broer gemaakt. Er was een slangenbezweerder op de markt in Marokko. Die hield de slang bij zijn kop. De rest van de slang ging over mijn schouder. Ik stond te trillen, zo bang was ik. Ik wilde groter zijn dan bang.”
“Je angst overwinnen, heel goed! Wie heeft er ook een angst overwonnen?” vraag ik.
Maar er komt iets anders: Bijna iedereen blijkt wel eens een slang gezien te hebben en wil dat verhaal kwijt.
Ayisha vertelt over een oom, die gebeten werd en zijn voet moest eraf, anders ging hij dood. Nu loopt hij met een stok. En een andere keer hoorde ze een slang voordat ze hem zag. Ze doet een soort zacht zoemend geluid voor. “Ik was koud, maar ik ging heel erg zweten” zegt ze.
“ Het koude zweet brak je uit”, zeg ik. Mooie uitdrukking in dit verband.
Maria heeft een onverwacht verhaal. Haar buurvrouw in Turkije was een koe aan het melken, toen ze ineens zag dat achter die koe een andere koe werd beslopen door een slang. De slang was uit op de melk: Hij liet zich langs een poot omhoog glijden en zoog aan de speen tot hij voldaan was. Al die tijd stond de buurvrouw erbij te kijken en ze durfde zich niet te bewegen. De slang liet, volgezogen, los en gleed uit het zicht. Toen pas begon de buurvrouw te gillen.
Bij Fatila in het dorp rook de slang ook melk: Lang geleden was haar schoonmoeder, pas bevallen van Fatila’s man, aan het slapen op haar bed. Het was warm en ze had alleen een laken half over zich heen. Ze werd wakker omdat er iets kouds over haar heen kroop. De slang zoog zich vast aan haar tepel. Schoonmoeder verroerde geen vin, verstijfd van angst. Tot de slang voldaan was en weggleed, het raam uit. Toen zette ook zij het op een gillen.
Nadia vindt het, net als wij allemaal, een prachtverhaal. “Dus die slang is jouw schoonzus," roept ze.
In plaats van verhalen over angst komen er nu dus verhalen over slangen. Ook goed. Onze bundel van deze taalronde heet: “ Ik ben bang voor de slang.”

dinsdag 10 maart 2009

puntenslijper

Vandaag zit ik in het computerlokaal met nog maar een paar cursisten, de meesten zijn al naar werk of huis. De 3 die er nog zijn, zitten met hun rug naar de deur toe. Er komt een jongeman binnen met de vraag of ik een puntenslijper voor hem te leen heb. Ik kijk in mijn etui maar moet hem teleurstellen.
"Als ik er één nodig heb, vraag ik het altijd aan mijn cursisten. Virginia, heb jij er misschien één?"
Virginia, een beeldschone Aziatische, kijkt op en leent de jongen haar puntenslijper. Ik zie dat hij in de war raakt van haar prachtige tanden als ze lacht, haar ellenlange haar, haar stralende ogen. Hij slijpt zijn potlood. Dan bedankt hij haar, maar in plaats van de puntenslijper terug te geven, geeft hij haar zijn potlood. Hij stottert, herstelt zijn fout en maakt zich uit de voeten. Er zijn van die situaties waar vlekkeloos Nederlands niet nodig is!

dinsdag 10 februari 2009

chaos, hoezo chaos?

Altijd leuk om te vertellen dat je lessen inburgering geeft.

Veel mensen lezen in de kranten dat "het een chaos is", maar hoe dat komt en of daar niks aan te doen is, willen ze dan weten.

Ik zal proberen om het hier uit te leggen.

Een paar jaar geleden besloot Rita Verdonk, in haar eindeloze wijsheid, dat niet alleen nieuwkomers, maar ook oudkomers moesten inburgeren. "Goed idee", ik hoor het je denken. Maar bedenk dan even dat het hier soms ook gaat om mensen die oud, ziek en zwak zijn. Die - misschien door een verleden in een land van herkomst dat in oorlog was - getraumatiseerd kunnen zijn. Die misschien al jaren in Nederland werken, soms al 30 jaar, en zich uitstekend behelpen met het Nederlands dat ze op het werk geleerd hebben. Of die als huisvrouw al 30 jaar binnen zitten en niet verder komen dan de markt en de moskee.

Sommigen komen op les als analfabeet, anderen zijn redelijk of zelfs hoog opgeleid in het land van herkomst. Er zijn dus flinke niveauverschillen, evenals culturele verschillen. Sjiieten en Soennieten bij elkaar in een klas. Joden en moslims bij elkaar in een klas. Kopten en Hindoes, boeddhisten en christenen. Inburgering als de grote gelijkmaker.

Vervolgens besloot de gemeente Amsterdam, in haar oneindige wijsheid, om in zee te gaan met niet 1 taalaanbieder, niet 2, niet 3, maar..... 39! U leest het goed, negen en dertig taalbureaus willen hier een graantje meepikken van de subsidies.

Om als inburgeraar terecht te komen bij één van die taalscholen, moet je eerst getoetst worden. Het toetsen is nogal langzaam op gang gekomen. In de praktijk zie ik het wel eens gebeuren, soms door taaldocenten, soms door werkstudenten die er een korte cursus voor gevolgd hebben. Ik sprak er een keer eentje, die me vertelde dat er per dag in principe 5 mensen worden opgeroepen. Soms komen die alle 5, maar het komt ook voor dat er maar 2 komen opdagen. De anderen hebben de brief niet gekregen, niet begrepen, of ze zijn ziek, of ze werken.

Vervolgens moet er een rapport worden geschreven. Dit heet een trajectadvies.
Hierin staat het startniveau en het streefniveau vermeld.

Nu krijgen die 39 taalaanbieders natuurlijk deze dossiers toegestuurd, met al die verschillende niveaus en achtergronden. Uit verschillende delen van de stad. Er zijn mensen die overdag werken en dus alleen 's avonds kunnen. Er zijn ook moeders met schoolgaande kinderen, die kunnen weer alleen overdag.

Zo moet je als taalaanbieder selecteren op beschikbare dagdelen én op postcode, want men heeft recht op een cursus in de buurt. Helaas houdt dat voor veel groepen in, dat er niet meer geselecteerd kan worden op niveau, want anders houd je groepen over van 2 à 5 personen. Daar kan de schoorsteen niet van roken.

(Nog een vreemd tipje van de sluier: de taalaanbieders betalen alles, totdat de cursist minstens 80 % van de lessen aanwezig is geweest. En keert de gemeente dan het hele bedrag uit voor die cursist? Nee, nog maar 30 %. Een ander deel komt als de inburgeraar examen doet, en het laatste deel pas als hij of zij geslaagd is.)

In de praktijk zitten dus veel docenten met zeer gemengde groepen, analfabeten bij snelle leerders, en goede sprekers bij mensen die nog niet verder komen dan zinnen van 1 of 2 woorden. Behalve dat, wordt de groep af en toe aangevuld met nieuwe cursisten. De eenheid in zo'n groep, het groepsgevoel, is dan ver te zoeken.

Veel taalaanbieders werken met gehuurde ruimtes in scholen, buurtcentra, leegstaande kantoren etc. In sommige lokalen moet ik elke keer opnieuw achter een whiteboard aan. Ik heb gezeten in lokalen waar geen raam open kon. Op locaties zonder kopieermachine. Het standaardlokaal heeft geen computers.

Verder worden ook de zieken, zwakken en (bijna-)bejaarden opgeroepen. Getraumatiseerde vluchtelingen. Zwangeren met 3 kleine kinderen. Met als gevolg een enorm verzuimprobleem.
In één van mijn groepen staan er 22 namen op de lijst, waarvan ik wekelijks de presentie moet bijhouden. Ik ken er ongeveer 12 van, de overige 10 zijn nooit geweest. Er zijn 5 uitvallers, zodat de vaste kern nu bestaat uit 7 mensen.
Er zijn ook dingen die ik niet kan verklaren.
Bijvoorbeeld: tijdens de les zetten de cursisten een handtekening op een individuele presentielijst. Aan het eind van de week verstuur ik die naar het kantoor van de taalaanbieder. Maar die wil ook, dat ik via het Internet in een systeem de presentie invoer. En evengoed komt er dan nog af en toe iemand van het kantoor langs op de groep om "de presentie door te nemen".
De lezer zal begrijpen dat het hier gaat om een hoeveelheid overheadkosten die niet nodig zouden zijn als er in de stad, per stadsdeel bijvoorbeeld, een open leercentrum zou zijn. Met een centrale verzuim- en presentieregistratie. Met computers in elk lokaal. Met zoveel groepen, dat er weer op niveau geselecteerd en adequaat begeleid kan worden. Het is namelijk niet leuk voor een analfabeet om in één groep te zitten met mensen die in één jaar door de lesstof vliegen die zij nooit zullen kunnen beheersen. En de snellen worden hier natuurlijk ook door afgeleid.
Ik kan niet anders dan hopen, dat er iemand bezig is om dat systeem binnen een paar jaar voor elkaar te krijgen. Ik ben niet het type mens dat op het binnenhof een "politieke vuist gaat maken", zoals me afgelopen week gesuggereerd werd door een hoogleraar op het gebied van onderwijs.
En als dan alle oudkomers eindelijk ingeburgerd zijn, dan weet ik nog wel wat werkverschaffing voor de taaldocenten: de Polen en andere Europeanen, en de Engelstalige 'expats' die nu tot niets verplicht zijn ook verplichten, in te burgeren. Want waarom zouden die niet hoeven?

dinsdag 3 februari 2009

Van de grondwet naar kunstmatige inseminatie......

Vandaag hebben we het over democratie en de grondwet. Ik leg in dat verband altijd uit dat ‘wet nummer één in Nederland’ inhoudt, dat iedereen voor de wet gelijk is:
“Of je nou rijk bent of arm,
Man of vrouw,
Nederlander of buitenlander,
Zwart, bruin of wit,
Oud of jong,
Moslim, Christen, Joods, Hindoe, Boeddhist of ongelovig………”
Tot hiertoe wordt er nog welwillend gekeken en geknikt, hoewel ‘ongelovig’ een hardere dobber is dan welk geloof ook. Ik laat mijn laatste troef op tafel vallen:
“……………..heterofiel of homofiel.”
Dan ontstaat er meestal wat gegiechel en gemompel. Ik leg uit, dat uit deze gelijkheid logisch voortvloeit, dat in Nederland het homohuwelijk wordt erkend en ook kan worden gesloten. En dat ik een nicht heb die getrouwd is met een vrouw, en dat ze samen een zoontje hebben.
Soeni, een Aziatische die getrouwd is met een Nederlandse man, vertelt dat haar schoonzus ook getrouwd is met een vrouw. “En ze hebben samen twee kinderen. De één heeft een dochter en de ander heeft een zoon,” vertelt ze blij. Nichtje en neefje zijn dol op haar, en zij op hen.
Een Marokkaanse vrouw vraagt hardop wat ik de anderen hoor denken:
“Hebben ze dan met een man geslapen? Met dezelfde man?”
“Nee,” zegt Soeni, en vertelt hoe dat ging, want zij heeft zich natuurlijk laten voorlichten. “In het ziekenhuis. Met een man die in een andere kamer ging. Hij deed zijn spul (ze maakt hier een gebaar bij…..) in een glas. Dat gaf hij aan de dokter. De dokter deed het in mijn schoonzus. Toen was ze zwanger.”
“Maar als twee mannen trouwen kan dat niet,” merkt iemand op.
Soeni heeft een klok horen luiden.
“Ik heb gehoord, kan je een kind ook in een glaasje maken, ja toch?”
Misschien wordt het tijd om te stoppen, me te verbazen over de onwetendheid van sommige vrouwen. Draagmoederschap uitleggen in de resterende 10 minuten? Terwijl sommigen hun tas al inpakken? Mwah.
“Ja, nee, lang verhaal,” zeg ik. “Volgende week vertel ik het, okee?”
Dan vertel ik meteen over sterilisatie, geslachtsziekten, voorbehoedmiddelen en IVF.
Het zal niet de eerste keer zijn dat ik seksuele voorlichting geef aan een groep volwassen vrouwen met kinderen.