vrijdag 8 februari 2008
Fatima en Ingmar
Ik heb een nieuwe groep, deze week. Allemaal vrouwen op een zogenaamd PAVEM – traject. “Het Máxima – traject” , wordt het in de wandelgangen genoemd. Dit houdt in, dat deze vrouwen recht hebben op taal – en inburgeringslessen voor een periode tot 3 jaar. Dan moeten ze inburgeringsexamen doen.
Ik houd wat individuele kennismakingsgesprekjes in de pauze.
“Fatima, hoi. Jij hebt eerder al taalles gehad?”
“Ja, hier. Zes jaar.”
“En heb je kinderen, Fatima?”
“Ja, vijf kinderen. Goede kinderen, allemaal school, werk, gezond.”
“Ah, dat is fijn. En hoe oud ben je?”
“Zesenvijftig, nu ben ik een oude vrouw.”
“Nou, dat vind ik nog niet zo oud hoor. En je ziet er nog jong uit! Maar kijk je wel eens naar Nederlandse televisieprogramma’s? Of lees je wel eens iets in het Nederlands?”
“Nee, nooit.”
Fatima woont al veertig jaar in Nederland en spreekt nooit een Nederlander, behalve de buurvrouw: “Hallo buurvrouw, alles goed? Ja? Doei!” De taallessen die ze heeft gehad zijn al weer zes jaar geleden en volgens haar is ze “alles weer vergeten”. Ze spreekt in zinnen van ten hoogste drie woorden en ik vermoed dat een ongeoefend oor moeite heeft om haar te begrijpen.
Tijdens de eerste les is gebleken dat Fatima leest op het tempo en niveau van een kind in, pakweg, groep vier. (Deze leesniveaus zijn niet echt te vergelijken: probeert u maar eens een taal te lezen die u niet spreekt!) Ik begin me af te vragen waarom Fatima weer op les moet. En of dat wel zinvol is. Kennelijk functioneert ze prima in de Nederlandse maatschappij, ze is gezond en lijkt wel gelukkig. Het punt met die nieuwe inburgeringswet is dat vrouwen als Fatima in het verleden nooit een niveau hebben behaald dat nu vereist is. Maar de vraag is of ze het ooit zal halen. Fatima behoort tot een groep die “moeilijk leerbaar” wordt genoemd: Als kind nooit naar school geweest, geen studievaardigheden, weinig motivatie, want al zo lang hier dat ze allang andere manieren heeft gevonden om te functioneren. Waarschijnlijk met behulp van man, kinderen en schoonfamilie in de papieren jungle die Nederland is. Geen contact met Nederlanders op bijvoorbeeld werk of een opleiding. Wat de Nederlandse maatschappij van haar verlangt – dat ze zich emancipeert en de arbeidsmarkt op gaat – is in mijn ogen een onmogelijkheid.
In mijn lunchpauze eet ik een broodje in een Zweedse lunchroom op de markt, waar een joviale Zweed de scepter zwaait. Hij heeft een licht accent en ik betrap hem op niet één fout terwijl hij in het Nederlands telefoneert.
“Mag ik u vragen hoe lang u al in Nederland bent? Uw Nederlands is vlekkeloos!”
“Twaalf jaar al, en vlekkeloos? Nee hoor, ik maak heel veel fouten.” Hij pakt de menukaart. “Bijvoorbeeld hier: iemand vertelde mij, dat het niet ‘Zweeds gehaktballetjes’ is, maar ‘Zweedse gehaktballetjes’. Dat begrijp ik nog niet, waarom verschijnt en verdwijnt die e in de bijvoeglijk naamwoorden?”
Ik krijg visioenen van mezelf terwijl ik Fatima probeer uit te leggen wat een bijvoeglijk naamwoord is.
“Nederlands is ook niet gemakkelijk”, herneemt hij. “Al die spreekwoorden en uitdrukkingen! Er staan er zo vier op één krantenpagina!”
Nu heb ik een visioen van Fatima achter een krant, spreekwoorden tellend.
“We hebben hier veel water, dus onze uitdrukkingen staan bol van het water: varen, bruggen, zwemmen, zinken, eb en vloed…..”, begin ik te doceren.
“Ja, dat, en ook hoeken,” zegt hij.
“Hoeken?” vraag ik. Dat was me nog nooit opgevallen.
“Ja. Nederlanders hebben iets met hoeken. Voorbeeld. De Telegraaf, daar kunnen ze niet schrijven. Dat verbergen ze achter uitdrukkingen. In een artikel stond: Hij liet haar alle hoeken van de kamer zien. En in de volgende alinea werd hij door het openbaar ministerie in de gevangenis gezet! Kijk,” zegt hij, en pakt me bij mijn mouw. Hij wijst op een hoek van de lunchroom. “Zie je die hoek?”
“Ja,” zeg ik braaf. Met deze Zweed valt niet te spotten.
“En zie je die hoek?”
Ik begin te lachen.
“Hij wilde haar horizonten verbreden! Hij liet haar alle hoeken zien! Het was een aardige man! En de politie kwam hem van zijn bed lichten!”
Als mijn thee op is, vraag ik hem hoe hij Nederlands heeft geleerd. Heeft hij op les gezeten?
“Nee, ik ben begonnen met Asterix en Obelix”, vertelt hij. “Eerst met de Zweedse versie erbij. En later, twee kranten op een dag. Maar ik had nog problemen met de uitspraak. Dan ging ik naar het Centraal Station en vroeg aan mensen, of ik ze een stukje mocht voorlezen. En dan moesten zij me corrigeren. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: “zo spreken we dat hier niet uit, hoor! Zo praten ze in Rotterdam misschien, maar hier niet!” Eerlijke mensen, Amsterdammers. En later werkte ik in een sjiek restaurant hier in de stad, daar heb ik het echt goed geleerd.”
Heeft dat restaurant misschien een vacature voor Fatima?
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
:) :) :)
Geweldig stukje, Margreet! En zeer herkenbaar. Ik ben wel een beetje bang om te reageren omdat ik op internet heel anders spreek dan in de les.......nog net geen breezertaal...
Maar goed, ik moest denken aan een cursiste die in de les verschrikt uitriep: "Oh!! helemaal vergeten! Ik moet de hoer nog betalen!!"
In een andere groep noemden de cursisten "'t Kofschip" standaard "De Coffeeshop regel".
Een reactie posten